Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:9099
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,026 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.16110
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.
Bij besluit van 8 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook was aanwezig de vader van eiser, [naam] (hierna: referent), de moeder van eiser en haar minderjarige zoon.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend gelet op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Hierna heeft verweerder referent uitgenodigd voor een hoorzitting die heeft plaatsgevonden op 15 november 2022.
Bij besluit van 23 november 2022 (aanvullend besluit) heeft verweerder het bestreden besluit gehandhaafd en nader gemotiveerd. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft automatisch ook betrekking op het aanvullende besluit.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om uitspraak te doen zonder tweede zitting. Aan partijen is medegedeeld dat de rechtbank voornemens is de zitting achterwege te laten. Bij deze mededeling is aan partijen twee weken de tijd gegeven om aan te geven dat zij mondeling op een zitting willen worden gehoord. Deze termijn is verlopen zonder dat partijen hierop hebben gereageerd. De rechtbank doet daarom uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1995 en stelt een staatloze Palestijn uit Syrië te zijn. Hij wil graag verblijven bij referent op grond van artikel 8 van het EVRM.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat tussen eiser en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hiertoe heeft verweerder ten eerste overwogen dat eiser zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond. Ook wanneer dit wel was aangetoond, is alsnog geen sprake van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, omdat de gezinsband met referent is verbroken en eiser in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Verder hebben eiser en referent volgens verweerder niet aangetoond dat er tussen hen een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verweerder heeft in het aanvullende besluit een belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, maar deze is in het nadeel van eiser uitgevallen.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser stelt voorop dat hij zijn familierechtelijke relatie wel degelijk voldoende heeft onderbouwd. Daarnaast vindt eiser dat verweerder hem ten onrechte geen DNA-onderzoek heeft aangeboden nu sprake is van bewijsnood door de oorlog in Syrië. Verder meent eiser dat hij wel valt onder het jongvolwassenenbeleid. De gezinsband tussen hem en referent is niet verbroken, ondanks dat eiser en referent sinds 2012 niet meer samen woonden. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat eiser de stap naar zelfstandigheid heeft gemaakt. Eiser is immers financieel en emotioneel afhankelijk van referent. In ieder geval had verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM een belangenafweging moeten verrichten en deze in het voordeel van eiser moeten laten uitvallen. Verder heeft verweerder zijn zorgplicht zoals bedoeld in de Definitierichtlijn geschonden. Ook beroept eiser zich op de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarnaast vindt eiser dat verweerder hem ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord. Ten slotte verzoekt eiser de rechtbank om bij de beoordeling te betrekken dat hij schade heeft geleden door de aardbeving in Turkije.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Belangenafweging en hoorplicht
4. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat verweerder bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM niet langer mag volstaan met enkel concluderen dat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven. Verweerder moet altijd een belangenafweging verrichten waarbij hij alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken. In het bestreden besluit van 8 oktober 2021 heeft verweerder deze belangenafweging niet gemaakt. Alleen al hierom is het beroep gegrond.
4.1
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder ook de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat, met name in zaken met betrekking tot artikel 8 van het EVRM, verweerder vreemdelingen vaker moet horen in bezwaar en meer terughoudend moet omgaan met de uitzonderingen op de hoorplicht. Gelet op deze uitspraak heeft verweerder ervoor gekozen om referent en zijn echtgenote na heropening van deze zaak alsnog uit te nodigen voor een hoorzitting. Nu verweerder een hoorzitting toch nodig heeft geacht, heeft hij hiermee impliciet erkend dat hij in de procedure voor het primaire besluit niet had kunnen afzien van horen. Ook hierom is het beroep dus gegrond.
4.2
Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Jongvolwassenenbeleid en ‘more than normal emotional ties’
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op het moment van de aanvraag jongvolwassene was. Wel in geschil is of eiser voldeed aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat de gezinsband tussen eiser en referent was verbroken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser en referent sinds 2012 niet meer samen in gezinsverband hebben gewoond. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat – en op welke wijze – invulling wordt gegeven aan de gezinsband. Bovendien heeft verweerder kunnen benadrukken dat eiser inmiddels naar Turkije is verhuisd en op eigen naam een huurovereenkomst heeft gesloten. Uit deze omstandigheden volgt dat eiser zelfstandig woont en zich zelfstandig van referent kan handhaven, zodat verweerder heeft kunnen aannemen dat eiser in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. In het licht van deze omstandigheden volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de scheiding met referent tot op heden een gedwongen karakter heeft. Weliswaar was dat in 2012 wél zo, maar de rechtbank ziet, gezien de lange tijd die sindsdien verstreken is en ook de zelfstandige verhuizing van eiser naar Turkije, geen aanleiding om te concluderen dat daar nog altijd sprake van is. De in beroep overgelegde geldtransacties leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze stukken alleen betrekking hebben op 2020 en 2021. Bovendien is het onduidelijk of eiser daadwerkelijk in bezit is gesteld van het gestelde geld.
5.1
Nu eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, moet gekeken worden of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than the normal emotional ties’). Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit die conclusie kan worden getrokken. Het feit dat de moeder van eiser ziek is, is voor die conclusie onvoldoende omdat niet is gebleken dat er hierdoor sprake is van een bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder.
5.2
Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat er geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond die zich richt tegen de vaststelling van de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent, behoeft daarom geen bespreking meer.
Belangenafweging in aanvullend besluit
6. In het aanvullende besluit van 23 november 2022 heeft verweerder een volledige belangenafweging uitgevoerd in het kader van artikel 8 van het EVRM. Deze belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen. Tegen het aanvullende besluit heeft eiser geen nieuwe gronden ingediend. Wel zijn er verschillende stukken ingediend, maar eiser heeft niet onderbouwd hoe en waarom deze stukken de belangenafweging anders zouden moeten maken.
6.1
Voor zover door eiser is aangevoerd dat de rechtbank er rekening mee dient te houden dat hij schade heeft opgelopen bij de aardbeving in Turkije, overweegt de rechtbank dat niet is onderbouwd op welke wijze hiermee rekening gehouden dient te worden.
6.2
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in redelijkheid in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen.
Definitierichtlijn en de Gezinsherenigingsrichtlijn
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder niet in strijd gehandeld met de zorgplicht zoals neergelegd in de Definitierichtlijn.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Zie artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Zie artikel 23 van de Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.2.
Zie artikel 2, aanhef en onder j, van de Definitierichtlijn en de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424, r.o. 9.1.
Richtlijn 2003/86/EG.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.