Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:8907
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,336 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.13976
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [v-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaak NL23.13977).
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek, op 6 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 27 december 2021 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij afvallig is van de islam en zich bekeerd heeft tot het christendom. Verder brengt eiser naar voren dat hij langdurig in Nederland verblijft en geen netwerk heeft in Irak.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. De verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst net als over het niet-praktiseren van de islam heeft verweerder geloofwaardig gevonden. Daarentegen heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn bekering tot het christendom niet geloofwaardig gevonden. Volgens verweerder kan eiser op basis van de geloofwaardig bevonden relevante elementen niet worden aangemerkt als vluchteling. Daartoe heeft verweerder gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt te vrezen te hebben voor vervolging als hij, als niet-praktiserende moslim, terugkeert naar Irak en dat kenbaar zou maken in zijn omgeving. Tot slot heeft eiser, volgens verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico op ernstige schade loopt.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser voert aan dat hij als afvallig moet worden aangemerkt, omdat hij zich ruim voor het moment van bekering tot het christendom al had afgewend van de islam en een aantal jaren zonder geloof heeft geleefd. Verweerder heeft daarom ten onrechte niet getoetst of bij hem sprake is van afvalligheid. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet geloofwaardig heeft gevonden dat hij is bekeerd tot het christendom.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Algemeen
4. De rechtbank stelt voorop dat eiser asiel heeft gevraagd, omdat hij bij terugkeer naar Irak vreest vanwege zijn bekering tot het christendom. Verweerder heeft eiser daarom tijdens de gehoren terecht veel vragen gesteld over zijn geloofsovertuiging. De rechtbank vindt het fijn om te horen dat het op dit moment goed gaat met eiser en dat hij bezig is zijn leven op de rit te krijgen maar benadrukt dat deze omstandigheid de uitkomst van eisers asielprocedure niet anders maakt. In deze asielprocedure ligt namelijk de vraag voor of eiser terug kan keren naar Irak of dat hij in Irak te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank zal in de uitspraak daarom niet ingaan op de wijze waarop eiser zijn leven in Nederland vormgeeft.
Afvalligheid van de islam
5. Uit vaste rechtspraak volgt dat de mogelijkheid bestaat dat een vreemdeling van zijn oorspronkelijke geloofsovertuiging afvalt en zich pas op een later moment tot een andere geloofsovertuiging bekeert. Een dergelijke situatie doet zich voor indien de motieven voor, en het moment van afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn van de bekering. Dit dient uit de verklaringen van de vreemdeling te blijken. In dat geval dienen de afvalligheid en bekering als losstaand van elkaar te worden beoordeeld, omdat het in dat geval afzonderlijke asielmotieven zijn.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de afvalligheid van eiser terecht niet als zelfstandig relevant element aangemerkt, maar betrokken in de beoordeling van de gestelde bekering. Van duidelijk te onderscheiden fases tussen afvalligheid en bekering is, gelet op eisers eigen verklaringen, geen sprake geweest. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag in 2022 heeft eiser namelijk verklaard dat hij zichzelf vanaf het jaar daarvoor niet meer als moslim ziet en in datzelfde jaar ook is bekeerd tot het christendom. Hoewel eiser deze verklaringen heeft gecorrigeerd in zijn correcties en aanvullingen op het gehoor, heeft hij in het aanvullend gehoor verklaard dat hij vanaf zijn zestiende jaar twijfels had en interesse kreeg in het christendom, maar dat het niet klopt (wat in de correcties en aanvullingen op het gehoor opvolgende aanvraag staat) dat hij zichzelf vanaf dat moment geen moslim meer noemt. Verweerder is terecht van eisers eigen verklaringen uitgegaan, waarbij van belang is dat eiser deze laatste verklaringen in zijn correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor niet heeft gecorrigeerd.
Bekering tot het christendom
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde bekering van eiser tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder te veel waarde heeft gehecht aan de (weinige) kennis die hij heeft over het christendom. Dit is slechts een van de drie elementen die verweerder in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Zoals volgt uit het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, is verweerder op zoek gegaan naar het authentieke verhaal van eiser. Daarbij ligt het zwaartepunt volgens verweerder op de antwoorden van eiser over zijn eigen ervaringen en zijn persoonlijke beleving ten aanzien van zijn motieven voor en het proces van bekering, zijn kennis van het geloof en de activiteiten die hij onderneemt en het effect van deze veranderingen. Verweerder heeft, gelet hierop, ook terecht de frequentie van de kerkbezoeken als onderdeel van de activiteiten, die eiser in het kader van het geloof heeft verricht in de beoordeling betrokken. Wat betreft de motieven voor zijn bekering heeft eiser ter zitting verklaard dat hij liefde voor de mensen om hem heen voelt. Deze liefde maakt, zoals verweerder stelt, echter nog niet dat eiser ook bekeerd is. In het bestreden besluit heeft verweerder eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij niet goed kan verklaren waarom de liefde en genegenheid voor christenen tot zijn bekering heeft geleid. De rechtbank ziet weliswaar dat eiser de juiste weg is ingeslagen, gelet op zijn verklaringen ter zitting, maar overweegt dat dit geen reden is om aan eiser een asielvergunning te verlenen. In deze procedure ligt enkel de vraag voor of aan eiser een verblijfsvergunning verleend moet worden vanwege zijn asielrelaas.
Toegedichte afvalligheid vanwege verwestering
7. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder niet ingegaan is op zijn zienswijze, voor zover hij daarin heeft opgenomen dat hij bij terugkeer naar Irak risico loopt omdat hem vanwege zijn verwestering afvalligheid van de islam zal worden toegedicht. De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit wel op dit punt uit de zienswijze is ingegaan. Nu eiser ter zitting niet nader heeft toegelicht waarom de reactie van verweerder op dit punt niet deugdelijk is, slaagt deze beroepsgrond al daarom niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
In de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:280), rechtsoverweging 4.
Verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 11 augustus 2022, pagina 9.
Verslag van het aanvullend gehoor van 21 december 2022, pagina 5 en 6.