Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:8841
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,386 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14291
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] .
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. M. Hamzaoui).
Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tolk N. Epstein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Russische nationaliteit. Op 6 februari 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in EU-VIS is gebleken dat Spanje aan eiser een visum heeft verstrekt dat geldig was van 18 januari 2023 tot 17 februari 2023. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Op 3 april 2023 zijn de autoriteiten van Spanje hiermee akkoord gegaan.
Eiser voert aan dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 16 en artikel 17 van de Dublinverordening. Er is sprake van bijzondere omstandigheden. Ter zitting heeft eiser in het kader van onevenredige hardheid verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 3 september 2020. Daarnaast is uitzondering op het beleid mogelijk op grond van artikel 4:84 van de Awb (Algemene wet bestuursrecht). Eiser heeft geen enkele band met Spanje. Het bestreden besluit is tot slot genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Niet in geschil is dat Spanje in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag naar zich toe te trekken op grond van artikel 16 van de Dublinverordening. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 16, eerste lid van de Dublinverordening tussen eiser en zijn zus in Nederland. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat niet is gebleken dat de gestelde emotionele en financiële afhankelijkheid voortkomt uit een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd. Daarnaast heeft verweerder hierbij kunnen betrekken dat de zus van eiser al geruime tijd in Nederland verblijft.
5. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht naar zich toe te trekken op basis van artikel 17 van de Dublinverordening. Hiertoe is allereerst van belang dat het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid, waarvan verweerder gebruik maakt indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat onevenredig hard is.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle feiten en omstandigheden die naar voren zijn gebracht, heeft betrokken bij zijn besluitvorming en daarmee voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van deze discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom overdracht aan Spanje in het geval van eiser niet getuigt van onevenredige hardheid. Dat eiser geen binding heeft met Spanje, hij vanwege de oorlog uit Rusland is vertrokken en dat hij graag bij zijn zus in Nederland wil verblijven, heeft verweerder in redelijkheid niet hoeven zien als bijzondere, individuele omstandigheden als hier bedoeld. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is geen vergelijkbaar geval en kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op het voorgaande kan ook het beroep van eiser op artikel 4:84 van de Awb niet slagen.
7. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
ECLI:NL:RBDHA:2020:8698.