Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:8839
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,336 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6470
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Khdim).
Procesverloop
Eiseres heeft op 2 maart 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de ten behoeve van haar en de minderjarige kinderen ingediende aanvragen van 22 juni 2022 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot (referent).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Referent heeft op 22 juni 2022 ten behoeve van eiseres en hun minderjarige kinderen een aanvraag ingediend om een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid bij referent. De staatssecretaris heeft op 12 juli 2022 een bevestiging van ontvangst gestuurd. Op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is de beslistermijn 90 dagen. Verweerder heeft deze termijn met drie maanden verlengd. Referent heeft verweerder op 9 februari 2023, dus na het verstrijken van deze termijn, in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling is volgens verweerder door hem op 15 februari 2023 ontvangen. Hierna is twee weken verstreken voordat eiseres beroep heeft ingesteld.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser daar geen belang meer bij heeft. Verweerder heeft daarbij een verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat referent namens eiseres de aanvraag op 28 april 2023 heeft ingetrokken. Eiseres voert hiertegen aan dat dit een vergissing is geweest en heeft gewezen op het verzoek aan verweerder om de intrekking als niet gedaan te beschouwen. De aanvraag is volgens eiseres “in een vlaag van verstandsverbijstering” ingetrokken. Er zijn echter geen stukken overgelegd, waaruit objectief volgt dat referent niet in staat is geweest om zijn wil te bepalen toen hij besloot om de aanvraag in te trekken. Hoewel het verweerder vrij staat om in reactie op het verzoek van eiseres alsnog te besluiten tot inhoudelijke behandeling van de aanvraag, stelt verweerder stelt zich nu terecht op het standpunt dat eiseres geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank stelt vast dat er een geldige ingebrekestelling is ingediend en dat verweerder niet binnen twee weken een beslissing heeft genomen. Daarom is verweerder aan eiseres de maximale bestuurlijke dwangsom verschuldigd: € 1.442,-.
5. Omdat er op 2 maart 2023 aanleiding bestond voor het instellen van beroep, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaard het beroep niet-ontvankelijk;
stelt de hoogte van de door de staatssecretaris aan eisers verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,- (duizendvierhonderdtweeënveertig euro);
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van €418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent);
bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- (honderdvierentachtig euro) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.