Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:8594
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,280 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15755
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Ophouding
2. Eiser stelt dat de ophouding op onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Nadat hij is overgedragen door de Belgische autoriteiten is eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw opgehouden, omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld. Uit de feiten en omstandigheden blijkt juist dat zijn identiteit nog niet vaststaat. Dit volgt ook uit de grondslag van de maatregel van bewaring. Eiser is daarom van mening dat de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw moest plaatsvinden en stelt dat sprake is van een gebrek in het voortraject.
3. De rechtbank oordeelt dat er een onderscheid bestaat tussen het vaststellen van de
identiteit op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en de grondslag van artikel 59b,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In dit geval hebben de Belgische autoriteiten
gegevens aan verweerder verstrekt in het kader van een overdracht op grond van de
Dublinverordening. Voor de vaststelling van de identiteit als bedoeld in artikel 50, derde
lid, van de Vw is dit voldoende. Dat laat echter onverlet dat eiser zijn identiteit met
documenten moet onderbouwen en daarop ziet de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder heeft daarbij aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen document ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Maatregel van bewaring
4. De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Lichter middel
5. Eiser is van mening dat een lichter middel toegepast dient te worden. Hij heeft na de overdracht vanuit België direct een asielwens geuit en had daarna ook naar Ter Apel gebracht kunnen worden voor de asielprocedure.
6. Nu terecht is aangenomen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, heeft verweerder zich ook terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel dit risico niet kan ondervangen. De rechtbank neemt hierbij onder meer in aanmerking dat eiser, zoals uit het dossier naar voren komt, zich twee keer eerder aan het toezicht heeft onttrokken. Ook heeft hij meermaals verklaard niet te willen terugkeren naar Marokko. Niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die in het geval van eiser maken dat de bewaring onevenredig bezwarend is.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.