Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:8588
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,489 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10548
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. D. Gökcan).
Inleiding
1. Bij besluit van 6 april 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.2.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 17 mei 2023 tezamen met de zaak NL23.10549 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij moet worden gezien als bijzonder kwetsbaar in de zin van het Tarakhel-arrest. Ook heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat hij de aanvraag van eiser niet zelf had moeten behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat uit gegevens verkregen uit EU-VIS blijkt dat Frankrijk aan eiser een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 5 juli 2022 tot 4 oktober 2022, het visum was dus nog geldig op het moment van de asielaanvraag van eiser in Nederland. De staatssecretaris geeft daarmee toepassing aan artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris heeft verder bepaald dat eiser wordt overgedragen aan Frankrijk.
Heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd waarom er geen gebruik is gemaakt van een registertolk?
4. Eiser betoogt in de eerste plaats dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar was. Daarmee heeft de staatssecretaris niet voldaan aan de motiveringsplicht zoals die is neergelegd in artikel 28, vierde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). Deze schending kan volgens eiser niet gepasseerd worden op grond van artikel 6:22 Awb met het betoog dat niet is gebleken dat eiser door de inzet van een niet-registertolk in zijn belangen is geschaad. Eiser is wel degelijk in zijn belangen geschaad, zijn medische klachten zijn hierdoor onvoldoende naar voren gekomen. In het verslag van het aanmeldgehoor is enkel vermeld dat eiser slechtziend is, terwijl hij uitgebreid heeft verklaard over zijn lichamelijke en psychische aandoeningen.
5. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 februari 2014 volgt dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering geen andere eis stelt dan dat de staatssecretaris de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. In het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. De staatssecretaris moet dan toelichten waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was, zodat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde van vereiste spoed.
6. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris in zijn voornemen heeft uitgelegd waarom geen gebruik is gemaakt van een registertolk. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat uit de termijnen die volgen uit de Dublinverordening voortvloeit voort dat het aanmeldgehoor op korte termijn na het indienen van de asielaanvraag moet plaatsvinden. Daarmee is de vereiste spoed gegeven. Ter zitting heeft de staatsecretaris nader uiteengezet dat de vereiste spoed zich er tegen verzet om het inplannen van een gehoor afhankelijk te maken van de beschikbaarheid van een registertolk. Zeker niet als het gaat om een tolk in de Tamil taal, die slechts beperkt beschikbaar zijn. Om die reden wordt eerst de datum van het gehoor gepland en wordt daarna gekeken of een registertolk beschikbaar is. Is dat niet het geval, dan wordt een niet-registertolk ingezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris hiermee voldoende gemotiveerd waarom geen registertolk is ingezet.
6.1.
Omdat de staatssecretaris de vereiste spoed voldoende heeft gemotiveerd, is geen sprake van strijd met het bepaalde in artikel 28 van de Wbtv. De discussie of eiser door de inzet van een niet-register in zijn belangen is geschaad, boet daarmee in aan relevantie. Overigens stelt de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser door de inzet van een niet-registertolk in zijn belangen is geschaad. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat eiser heeft aangegeven de tolk te hebben kunnen verstaan en begrepen in het Tamil. Daarnaast heeft eiser, desgevraagd, geen op- of aanmerkingen te kennen gegeven op de werkwijze van de tolk. Ook heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat uit het verslag van het gehoor op geen enkele wijze blijkt dat er sprake is geweest van miscommunicatie tussen de tolk en eiser. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan te nemen dat eiser tijdens het nader gehoor meer heeft verklaard dan wat er uiteindelijk in het verslag is opgenomen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
7. Eiser heeft zijn beroepsgrond die ziet op het arrest CK ter zitting ingetrokken. Deze beroepsgrond zal daarom buiten verdere bespreking blijven.
Moet eiser worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbare vreemdeling in de zin van het arrest Tarahkel?
8. Eiser betoogt dat hij vanwege zijn medische problematiek niet overgedragen kan worden aan Frankrijk omdat hij dan een risico loopt op onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiseres heeft in beroep een brief van een arts overlegd waaruit volgt dat hij grotendeels blind is. Verder heeft eiser een uitdraai van zijn medisch dossier overlegd waaruit verder volgt dat hij enkele andere aandoeningen heeft, waaronder gewrichtsklachten, slapeloosheid, een niet nader gespecificeerde aandoening aan zijn zenuwstelsel, hypercholesteroiemie en diabetes type 2. Om die reden moet hij worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 (Tarakhel-arrest).
Verder heeft eiser reeds in zijn zienswijze gewezen op informatie uit het AIDA rapport Frankrijk van 2021. Op deze informatie is de staatssecretaris volgens eiser niet voldoende gemotiveerd ingegaan. Eiser betoogt dat hij – vanwege zijn medische en psychische omstandigheden – afhankelijk is van derden zodat reeds voor zijn overdracht duidelijk moet zijn dat kan worden voorzien in zijn bijzondere opvangbehoefte. Die duidelijkheid is er niet en de vraag is of Frankrijk wel aan die bijzondere opvangbehoefte kan voldoen.
9. In het Tarakhel-arrest heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties dient te vragen indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat dit arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling mede van belang kunnen zijn.
10. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij een bijzondere opvangbehoefte heeft en dat Frankrijk mogelijk niet aan die bijzondere opvangbehoefte kan voldoen. De staatssecretaris heeft eveneens terecht gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. De brief van de arts waarin hij verklaart dat eiser gedeeltelijk blind is, is in dit verband onvoldoende. Hieruit volgt namelijk nog niet welke bijzondere zorgbehoefte eiser heeft. Hetzelfde geldt voor de andere medische klachten die uit het patiëntendossier volgen. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij in Nederland niet in een speciale opvangvoorziening verblijft. De extra voorzieningen waarvoor hij in aanmerking komt zijn beperkt tot bijvoorbeeld taxivervoer naar de zitting van de rechtbank.
Conclusie
14. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS, ECLI:NL:RVS:2014:600.
EHRM, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ABRvS, ECLI:NL:RVS:2015:3806.