Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-05-25
ECLI:NL:RBDHA:2023:8576
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,892 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.22162
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf bij
[echtgenoot] ’ (echtgenoot) afgewezen.
Bij besluit van 25 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2023 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn de echtgenoot en de drie kinderen van eiseres ter zitting verschenen.
Overwegingen
1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht. De rechtbank ziet op basis van de door eiseres verstrekte gegevens aanleiding om dit verzoek toe te wijzen.
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij woont in Marokko. Haar echtgenoot en hun drie kinderen wonen in Nederland. Eiseres wil bij haar gezin in Nederland verblijven en heeft daartoe een aanvraag tot verstrekking van een mvv ingediend.
4. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen met als reden dat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Verweerder ziet geen aanleiding om eiseres vrij te stellen van dit vereiste. Volgens verweerder is de weigering om eiseres een mvv te verlenen niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. Eiseres voert in beroep aan dat het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel van toepassing is en dat daaraan getoetst moet worden. Nu verweerder hier niet op is ingegaan in het bestreden besluit, is volgens eiseres sprake van een motiveringsgebrek. Eiseres stelt verder dat zij veel inspanningen heeft verricht om te slagen voor het inburgeringsexamen. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met haar opleidingsniveau en dat van referent. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM stelt eiseres dat het feit zij geen verblijfsvergunning in Nederland had toen zij het gezinsleven met referent aanging ten onrechte negatief is meegewogen. Tevens is niet meegewogen dat het gezin al drie jaar actief bezig is met de gezinshereniging.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet ten onrechte geen aanleiding gezien om eiseres vrij te stellen van het inburgeringsvereiste. Hiertoe heeft verweerder mogen aandragen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk is om het inburgeringsexamen te halen. Zo heeft eiseres niet concreet inzichtelijk gemaakt welke passende inspanningen zij heeft verricht ter voorbereiding op de (onderdelen van) het examen. Eind 2019 heeft zij het examen voor de derde keer afgelegd. De behaalde scores voor twee van de drie examenonderdelen laten geen verbetering zien en zijn heel laag. In ieder geval is niet gebleken dat zij een cursus heeft gevolgd die aansluit op haar behoefte. Eiseres heeft naar haar zeggen pas recent het speciale zelfstudiepakket aangeschaft dat geschikt is voor verschillende opleidingsniveaus, dus ook voor analfabeten zoals eiseres. Na
27 februari 2020 heeft eiseres geen examenonderdeel meer gemaakt waaruit kan worden afgeleid dat zij passende inspanningen heeft verricht. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft getoetst of het vasthouden aan het inburgeringsvereiste voor eiseres onevenredig bezwarend is. Met de gemotiveerde belangenafweging die in de besluitvorming is gemaakt, heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat in het geval van eiseres is voldaan aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder er niet ten onrechte van heeft afgezien om eiseres vrij te stellen van het inburgeringsvereiste. De beroepsgrond faalt.
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder het belang van de Nederlandse overheid afgewogen tegen het persoonlijk belang van eiseres. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiseres nooit eerder verblijfsrecht in Nederland heeft gehad en dat haar gezinsleven al in Marokko was aangevangen. Ook is het economisch belang van de Nederlandse overheid betrokken. In de belangenafweging heeft verweerder tevens betrokken dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Zo wonen de kinderen van eiseres nog maar kort in Nederland en hebben zij nog nauwelijks banden met Nederland opgebouwd. Zij hebben daarentegen veel banden met Marokko. De rechtbank acht de door verweerder gemaakte belangenafweging niet onredelijk. Verweerder heeft onder de gegeven omstandigheden geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen aan het belang van eiseres om haar gezinsleven in Nederland uit te oefenen. Ook deze beroepsgrond faalt.
9. Ter zitting is namens eiseres een beroep gedaan op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 23 januari 20231. De rechtbank acht deze gang van zaken in strijd met de goede procesorde. Het valt namelijk niet in te zien waarom deze uitspraak, die op 26 januari 2023 is gepubliceerd, niet eerder in stelling is gebracht. Voorts heeft te gelden dat namens eiseres slechts in algemene zin en zonder nadere toegespitste onderbouwing is verwezen naar deze uitspraak. Dit heeft het voor verweerder ter zitting niet mogelijk gemaakt om adequaat te reageren op deze beroepsgrond, anders dan dat verweerder heeft aangegeven dat hij tegen deze uitspraak hoger beroep heeft aangetekend. Om deze redenen betrekt de rechtbank de beroepsgrond van eiseres niet bij de beoordeling.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier.
1 ECLI:NL:RBDHA:2023:622.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 mei 2023
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.