Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-05-25
ECLI:NL:RBDHA:2023:8137
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,306 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14581
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).
Procesverloop
Bij besluit van 5 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 mei 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 mei 2023 op zitting behandeld te Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. Ook ter zitting zijn geen beroepsgronden aangevoerd namens eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het Hof heeft in het arrest FS geoordeeld dat, om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op hetzelfde grondgebied krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek moet hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief moet hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied.
5. Bij besluit van 27 december 2022 heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat hij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 april 2023 weliswaar is uitgezet naar Polen, maar dat hij ongeveer anderhalve week later weer is teruggekeerd naar Nederland. Uit eisers verklaringen in het gehoor voorafgaand aan de maatregel kan niet worden afgeleid dat eiser een bestaan heeft opgebouwd in Polen. Zo heeft hij verklaard dat hij daar geen middelen van bestaan, werk en huis heeft en daarom naar Nederland is teruggekeerd. Ook heeft eiser verklaard niet terug te willen naar Polen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Daarom moet worden aangenomen dat zijn huidige verblijf in Nederland in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf. Dit betekent dan ook dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en het besluit van 27 december 2022 nog steeds werking heeft. Nu vaststaat dat op eiser een vertrekplicht rust en hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring.
6. Verder leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.
Richtlijn 2004/38/EG.
Pagina 3 van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 5 mei 2023 (M110).
Pagina 4 van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van 5 mei 2023 (M110).
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.