Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:8064
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,598 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15082
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 december 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 26 mei 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te
hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij de maatregel van bewaring en het voortduren
ervan al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment
van het sluiten van het onderzoek in het laatste (vervolg)beroep, 3 mei 2023, de
maatregel van bewaring rechtmatig is.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Hij verblijft al ruim vijf maanden in vreemdelingenbewaring en is pas op 26 april 2023 gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten. Het is niet aannemelijk dat een laissez-passer zal worden afgegeven binnen een redelijke termijn.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Vaststaat dat er op 26 april 2023 een presentatie heeft plaatsgevonden bij de Marokkaanse autoriteiten. In de voortgangsrapportage staat hierover dat ‘de aanvraag in onderzoek is genomen’. Daarbij komt dat uit deze voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 17 mei 2023 schriftelijk heeft gerappelleerd. Gelet daarop kan niet worden gevolgd dat er in het geval van eiser geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat hij alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om zijn eigen vertrek zelfstandig te realiseren. Deze mogelijkheid is hem onthouden. Eiser is voornemens om dit met behulp van IOM te doen. In afwachting van de samenwerking met IOM kan aan hem een meldplicht worden opgelegd.
7. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat eiser al op 20 december 2022 is aangemeld bij IOM. Niet is gebleken dat eiser met behulp van IOM heeft onderzocht wat zijn vertrekmogelijkheden zijn. Eiser verklaart in beroep weliswaar (alsnog) te willen meewerken aan zijn uitzetting, maar daar staat tegenover dat het gedrag van eiser daar tot nu toe niet op wijst. Eiser heeft herhaaldelijk gezegd dat hij niet terug wil keren naar Marokko. Daarnaast is niet gebleken dat eiser zelf moeite heeft gedaan om aan identiteits- dan wel reisdocumenten te komen. Gelet op eisers verleden van onttrekking aan het toezicht heeft verweerder terecht geen lichter middel toegepast.
Medische omstandigheden
8. Eiser voert aan dat hij te kampen heeft met psychische problemen. Uit het overgelegde medische dossier van de P.I. Vught blijkt dat zijn medische toestand ernstig is verslechterd. Eiser kan niet goed slapen en hij wordt inadequaat behandeld. De op zeer korte termijn nodige adequate medische behandeling zal hij niet krijgen binnen het detentiecentrum Rotterdam. Eiser is detentieongeschikt.
9. Uit het overgelegde medische dossier blijkt dat eiser vanaf het moment van zijn inbewaringstelling regelmatig is bezocht door de medische dienst tot 30 maart 2023. Wat er daarna is gebeurd blijkt niet uit dit dossier. Uit de observaties van de medische dienst tot 30 maart 2023 kan niet worden opgemaakt dat eisers toestand ernstig is verslechterd of dat eiser niet adequaat is behandeld. In de laatste rapportage van 30 maart 2023 is opgenomen dat het ‘nu goed gaat’. Daarbij komt dat uit het dossier niet volgt dat eiser slaapproblemen heeft. In tegendeel, er wordt meermaals gemeld dat het slapen goed gaat. Alhoewel uit het medisch rapport volgt dat eiser een honger/dorstaking heeft gehouden, blijkt hieruit ook dat hij deze na een dag weer heeft beëindigd. Er zijn geen aanknopingspunten voor de stelling dat hij detentieongeschikt is. Daarbij komt dat niet is onderbouwd welke medische behandeling eiser op korte termijn nodig heeft en dat hij deze behandeling niet kan krijgen in het detentiecentrum Rotterdam.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 december 2022,
ECLI:NL:RBDHA:2022:14246, van 23 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:762, van 15 maart
2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3659, van 7 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5081 en van 4 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6703.
Internationale Organisatie voor Migratie.