Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:7969
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
1,691 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrechtzaaknummer: NL23.10105
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Inleiding 1. Bij het bestreden besluit van 3 april 2023 heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen bij zijn nader gehoor op 28 maart 2023.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.10106, op 4 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door de waarnemer van zijn gemachtigde, mr. L.I. Siers. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989.
Hij heeft op 28 december 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser is eerst uitgenodigd voor een nader gehoor op 5 april 2022, daarna op 30 augustus 2022 en vervolgens op 17 november 2022. Voor al deze nadere gehoren heeft eiser uitstel aangevraagd. Voor het laatst is eiser uitgenodigd voor een nader gehoor op 28 maart 2023 en tevens heeft eiser verzocht het nader gehoor uit te stellen. Van de zijde van de staatssecretaris is medegedeeld dat het nader gehoor wel door zal gaan. Eiser is vervolgens niet op het nader gehoor verschenen.
3. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat eiser zonder voorafgaande kennisgeving niet is verschenen tijdens het gehoor op 28 maart 2023 en eiser heeft niet aangetoond dat het niet aan hem is toe te rekenen dat hij niet is verschenen.
Toerekenbaarheid niet verschijnen
4. Eiser voert aan dat het niet verschijnen niet aan hem toe te rekenen is. Hij heeft conform artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ook geen termijn van twee weken gekregen om aan te tonen dat het niet verschijnen niet aan hem toe te rekenen is.
4.1.
Ingevolge artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien een vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvraag van eiser onterecht buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.3.
Eiser is gezien door MediFirst en deze heeft op 7 februari 2023 geadviseerd. In dit advies is aangegeven dat eiser wel kan worden gehoord en tevens zijn de beperkingen aangegeven en is advies gegeven omtrent het gehoor. Het nader gehoor was gepland op 28 maart 2023. Naar aanleiding van de uitnodiging voor het nader gehoor heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 22 maart 2023 medegedeeld dat eiser aangeeft niet in staat te zijn om te worden gehoord. Hierbij is vermeld dat eiser nu onder behandeling staat van een MDL-arts en is een recente uitdraai van het patiëntendossier bijgevoegd. Namens eiser is verzocht het gehoor wederom uit te stellen en opnieuw MediFirst, gelet op de nieuwe medische informatie, te laten beoordelen of eiser kan worden gehoord.
Op de zitting is door de gemachtigde van de staatssecretaris aangegeven dat naar aanleiding van deze brief telefonisch contact is geweest met de gemachtigde van eiser en dat hierbij is aangegeven dat het gehoor toch zal doorgaan. Vast staat dat de nieuwe medische informatie niet opnieuw is voorgelegd aan MediFirst. Verder staat vast staat dat eiser niet is verschenen op het nader gehoor op 28 maart 2023. Vervolgens heeft de staatssecretaris op 28 maart 2023 het voornemen op de asielaanvraag genomen (buiten behandelingstelling van de asielaanvraag) waartegen binnen drie werkdagen een zienswijze kon worden ingesteld, gevolgd door het bestreden besluit van 3 april 2023.
4.4.
Nu de staatssecretaris op 3 april 2023 het bestreden besluit heeft genomen, is eiser niet in de gelegenheid gesteld om in overeenstemming met artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aan te tonen dat het niet verschijnen op het nader gehoor niet aan hem toe te rekenen is. De omstandigheid dat eiser herhaalde malen is uitgenodigd voor een nader gehoor en meerdere keren om uitstel heeft gevraagd en meerdere keren niet is verschenen bij MediFirst doet niet af aan het feit dat er ten tijde van het nieuwe geplande gehoor sprake kan zijn van een omstandigheid dat het niet verschijnen niet aan hem toe te rekenen is. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de wet. De beroepsgrond van eiser slaagt. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de staatssecretaris de asielaanvraag niet buiten behandeling mocht stellen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de waarnemer van gemachtigde aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.