Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-02
ECLI:NL:RBDHA:2023:7922
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,283 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.739
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. I. Wudka),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2023 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 10 januari 2023 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 11 januari 2023 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 16 januari
2023 een reactie ingediend. De rechtbank heeft op 20 januari 2023 het onderzoek
gesloten.
Overwegingen
Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De gemachtigde van eiser voert aan dat de noodzaak niet bestond om eiser de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Eiser heeft zeer goed gedocumenteerd een asielaanvraag ingediend en uit deze documentatie valt op te maken dat hij uit de voormalige Sovjet-Unie komt. Hij valt dan ook onder het besluitmoratorium.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 3 juni 2016 volgt dat verweerder bij
toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets
hoeft te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Verweerder moet een
redelijke termijn worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de
vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure,
waarbij de beslissing hierover in beginsel wordt genomen na het nader gehoor, omdat dan
alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of
sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een
mogelijke Dublinclaim. Slechts wanneer evident is dat de aanvraag niet meer in de
grensprocedure kan worden afgedaan, bijvoorbeeld als vaststaat dat de termijn van 28 dagen
zal worden overschreden, kan hieraan in deze procedure een conclusie ten aanzien van de
vrijheidsontnemende maatregel worden verbonden.
Het aanmeldgehoor heeft op 9 januari 2023 plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan
heeft verweerder op 10 januari 2023 geconcludeerd dat de asielaanvraag van eiser zich
niet leent voor afdoening in de grensprocedure en is de vrijheidsontnemende maatregel op
diezelfde datum opgeheven. De maatregel heeft naar het oordeel van de rechtbank niet
onredelijk lang voortgeduurd. Hiermee heeft verweerder zorgvuldig en voldoende
voortvarend gehandeld. Dat eiser de Russische nationaliteit heeft en goed gedocumenteerd asiel heeft aangevraagd maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiser niet de dienstplichtige leeftijd zodat hij niet onder het besluitmoratorium valt.
Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet
worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om
schadevergoeding afgewezen.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van N.V. Nunes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2016:1451