Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:7835
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,941 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 21/7776 en SGR 21/7778
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2023 in de zaken tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. S. van Andel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,
(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).
Procesverloop
In de procedure met zaaknummer SGR 21/7776
Bij besluit van 23 december 2020 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv bepaald dat dat de per 16 augustus 2017 beëindigde WIA-uitkering weer aan verzoeker wordt toegekend, en wel met ingang van 23 juli 2019 omdat er is sprake van dezelfde ziekteoorzaak en de periode tussen de beëindiging van de uitkering en de dag waarop hij opnieuw ziek werd is korter dan vijf jaar.
Bij besluit van 21 oktober 2021 (het bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en het primaire besluit 1 gehandhaafd.
In de procedure met zaaknummer SGR 21/7778
Bij besluit van 14 januari 2021 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv aan verzoeker meegedeeld dat hij vanaf 2 november 2020 meer arbeidsgeschikt is dan voorheen maar dat de hoogte van de WGA-loonaanvullingsuitkering daardoor nu niet zal wijzigen.
Bij besluit van 26 oktober 2021 (het bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard en het primaire besluit 2 gehandhaafd.
In beide procedures
Verzoeker heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij alle hiervoor vermelde primaire en bestreden besluiten zijn ingetrokken. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker de beroepen ingetrokken en daarbij verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek. Het Uwv heeft op 11 mei 2023 gereageerd en aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten in de zaken 21/7776 en 21/7778.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. De rechtbank stelt vast dat verzoeker de beroepen heeft ingetrokken omdat het Uwv aan hem is tegemoetgekomen, als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling kennelijk gegrond te achten.
4. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door verzoeker gemaakte kosten.
4.1.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken voor de vaststelling van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd. Volgens artikel 3, tweede lid, van het Bpb, voor zover hier van belang, zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden ingestelde beroepen, die door de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank merkt beide beroepen aan als samenhangende zaken. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 1.434,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 597,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).
4.2.
Verzoeker heeft onder overlegging van een factuur van Lechnerconsult medisch advies (Lechnerconsult) van 21 juni 2022 verzocht om vergoeding van de kosten van de door een arts van Lechner verrichte contra-expertise van 16 mei 2022 ten bedrage van in totaal € 2.444,20. De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Awb en het Bpb voor vergoeding in aanmerking indien sprake is van kosten die de betrokkene in verband met de behandeling in bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Ter bepaling of het inroepen van een niet-juridisch deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Voor de vraag of de kosten van de deskundige voor vergoeding in aanmerking komen, is verder niet van belang of deze deskundige ook daadwerkelijk een bijdrage heeft geleverd aan de beslissing van de rechter over dat geschil. Verzoeker heeft in redelijkheid de deskundige kunnen inroepen, omdat het hier een geneeskundige kwestie betreft (namelijk of er sprake is van dezelfde ziekte-oorzaak). De kosten van deze deskundige zijn door het Uwv ook niet betwist. Gelet op wat hiervoor is overwogen komen die kosten voor vergoeding in aanmerking.
4.3.
Het bedrag aan te vergoeden kosten komt hiermee op een totaalbedrag van (€ 1.434,- + € 2.444,20 =) € 3.878,20.
5. Door verzoeker is alleen in de zaak SGR 21/7776 griffierecht betaald van € 49,-. De rechtbank wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot het Uwv moeten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 3.878,20.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2593, rechtsoverweging 4.5 en daar aangehaalde jurisprudentie.