Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:7769
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,275 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.12898 en NL23.12899
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer / de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser/verzoeker], eiser / verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 23 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank/voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Op 3 september 2020 heeft hij voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is bij besluit van 6 oktober 2020 afgewezen. Hiertegen is geen beroep ingesteld, waardoor dit besluit in rechte vast is komen te staan. Op 4 februari 2021 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd. Bij besluit van 22 februari 2021 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van de hoogste bestuursrechter op 16 juni 2021 is dit besluit in rechte vast komen te staan. Op 1 december 2022 heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij is opgeroepen voor de reservistendienst in Algerije.
2. Verweerder heeft de rechtbank/voorzieningenrechter bij brief van 17 mei 2023 bericht dat eiser/verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Verweerder verwijst naar de bij die brief gevoegde printscreen, waaruit blijkt dat eiser/verzoeker vanaf 4 mei 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Het is verweerder niet gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld. De rechtbank/voorzieningenrechter ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of eiser/verzoeker nog procesbelang heeft.
3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579), dient er, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, in beginsel vanuit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. De rechtbank/voorzieningenrechter heeft de gemachtigde van eiser/verzoeker gevraagd om voor de zitting te reageren op de MOB-melding van verweerder. De gemachtigde heeft bij bericht van 22 mei 2023 aan de rechtbank laten weten geen contact meer te hebben met eiser/verzoeker.
5. De rechtbank/voorzieningenrechter is, gelet op de MOB-melding en de verbreking van het contact van eiser/verzoeker met zijn gemachtigde, van oordeel dat eiser/verzoeker kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, bestaat geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Deze wordt afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2023 door mr. M. van Nooijen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.