Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-04-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:7140
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,631 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6765
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Tjon-Man-Tsoi).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 13 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat hij wordt bedreigd en gezondheidsklachten heeft. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er sprake is van meerdere algemene weigeringsgronden. Eiser kan het huisvestingsprobleem op een andere wijze oplossen en het probleem wordt niet of in onvoldoende mate opgelost met een verhuizing naar een ándere zelfstandige woonruimte. Ook verwacht verweerder dat eiser met zijn inschrijfduur binnen drie maanden een passende woonruimte kan krijgen. Tot slot heeft eiser in de drie maanden direct voorafgaand aan zijn aanvraag onvoldoende gereageerd op het beschikbare woningaanbod.
Waarom is eiser het niet eens met verweerder?
2. Eiser betoogt dat hij zijn huisvestingsproblemen niet op een andere manier kan oplossen. Hij wordt bedreigd en dat is een structureel probleem, waarvoor een verhuizing een oplossing kan bieden. Weliswaar heeft hij een vermoeden wie de dader is, maar zeker weten doet hij dat niet, zodat een contact- en straatverbod geen oplossing is. Daar komt bij dat hij zonder resultaat meerdere keren aangifte heeft gedaan bij de politie. Ook is het niet verwijtbaar dat hij niet adequaat reageert op het woningaanbod. Zijn begeleider ondersteunt hem hierbij, maar daar heeft hij al lange tijd niets van gehoord. Eiser betwist ook verweerders tegenwerping dat hij met zijn huidige inschrijftijd binnen drie maanden een passende woning kan krijgen, omdat de door verweerder aangehaalde woningen niet passend zijn. Ze hebben slechts één slaapkamer, terwijl hij in de weekenden de zorg voor zijn zoon heeft. Ook heeft hij vanwege fysieke beperkingen een woning nodig op de begane grond of bereikbaar per lift. Verder zijn de Huisvestingsverordening en het bestreden besluit in strijd met hogere regelgeving, zoals de Huisvestingswet, en de bedoeling van de wetgever. De Huisvestingsverordening is gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft niet aangetoond dat na invoering van de verordening in 2015 actieve inspanningen zijn verricht om de problemen op de woningmarkt op te lossen. Verweerder heeft ten slotte onvoldoende gemotiveerd waarom het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Strijd met de Huisvestingswet
3. De beroepsgronden die eiser naar voren heeft gebracht over de Huisvestingsverordening komen overeenkomen met de gronden die zijn gemachtigde en diens kantoorgenoten in eerdere procedures al naar voren hebben gebracht. Deze rechtbank, andere rechtbanken en de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken hebben zich hier meerdere keren over uitgelaten, waarbij zij dit betoog niet volgden. De gemeenteraad kan namelijk de bevoegdheid tot urgentieverlening altijd gebruiken, ook als er geen sprake is van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste. De rechtbank sluit zich aan bij deze beoordeling en verwijst naar deze uitspraken, specifiek die van de hoogste bestuursrechter.
Algemene weigeringsgronden
4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de bevoegdheid om een urgentieverklaring toe te kennen een bepaalde mate van beoordelings- en beleidsruimte toekomt. Dit maakt dat de rechtbank het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het beleid om urgentieverklaringen toe te kennen, is restrictief om de verdeling van de woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat de ander langer op een woning moeten wachten. Bij het verlenen van urgentieverklaringen maakt verweerder gebruik van algemene weigeringsgronden alvorens een aanvraag inhoudelijk te beoordelen. De hoogste bestuursrechter vindt dit beleid niet onredelijk, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid eiser geen urgentieverklaring heeft gestrekt, omdat er sprake is van een algemene weigeringsgrond. Verweerder werpt eiser op goede gronden tegen dat hij sinds 28 augustus 2022 niet adequaat heeft gereageerd op het woningaanbod, terwijl gelet op zijn inschrijfduur de verwachting is dat hij binnen drie maanden een woonruimte in de regio toegewezen zou krijgen. Dit blijkt uit dat twee benedenwoningen met één slaapkamer in Voorburg en Delf zijn geaccepteerd door kandidaten met een kortere inschrijfduur dan eiser. Dat eisers begeleiding niet adequaat heeft gereageerd maakt dat niet anders. Het is aan eiser om dit, eventueel met behulp van zijn gemachtigde, op te lossen omdat ook bij het verkrijgen van een urgentieverklaring eiser op het woningaanbod zal moeten reageren. Dat eiser een extra slaapkamer wenst voor de momenten dat zijn zoon bij hem verblijft, maakt niet dat deze woningen niet passend zijn. Een woning met één slaapkamer maakt niet dat eisers zoon niet bij hem kan verblijven in de weekenden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser bij de aanvraag heeft vermeld alleenstaande te zijn en er geen stukken zijn ingebracht waaruit blijkt dat een extra slaapkamer (medisch) noodzakelijk is.
6. Een urgentieverklaring wordt pas inhoudelijk in behandeling genomen als zich geen algemene weigeringsgronden voordoen. Nu verweerder eiser in redelijkheid een algemene weigeringsgrond tegenwerpt, behoeven de overige weigeringsgronden die verweerder eiser tegenwerpt, en waartegen eiser beroepsgronden heeft aangewend, geen bespreking.
Hardheidsclausule
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afwijzing van de aanvraag niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard en verweerder dus geen gebruik heeft hoeven te maken van de hardheidsclausule. Het is niet onredelijk dat de hardheidsclausule alleen in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegepast door verweerder omdat er veel woningzoekenden zijn. De situatie van eiser onderscheidt zich niet zodanig van die van andere woningzoekenden in de regio die in een moeilijke situatie verkeren, dat verweerder aan eiser voorrang boven andere woningzoekenden had moeten verlenen. Verweerder heeft erkend dat de situatie van eiser weliswaar ongewenst is, maar dat niet gebleken is van omstandigheden die zijn situatie schrijnender maken dan die van andere woningzoekenden. Daar komt bij dat verweerder eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij er niet alles aan heeft gedaan om zelf het probleem op te lossen en het voor eiser mogelijk is een nieuwe aanvraag in te dienen indien hij over informatie beschikt waaruit blijkt dat hij in behandeling is voor zijn psychische klachten en daarmee duidelijk is wat de aard en omvang zijn van deze klachten.
Wat is de conclusie van de rechtbank?
8. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Verweerder heeft op goede gronden eiser geen urgentieverklaring verleend.
9. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 4:5, aanhef en onder c, g, k en m van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en artikel 2.1.3, aanhef en onder a, artikel 2.1.7, artikel 2.1.11, aanhef en onder b, artikel 2.1.13, aanhef en onder a, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019.
Zie de uitspraken van rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:1065, r.o. 5), rechtbank Den Haag van 17 augustus 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:14642), 7 november 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:11598) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:93, r.o. 5 en 6) en 1 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:412, r.o. 6.2 en 6.3).
Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1584) en 26 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3073).
Zie artikel 4:7 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.
Zie artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.