Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-01-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:6888
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,705 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.26206
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook wordt aan eiser geen reguliere vergunning voor bepaalde tijd verleend.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.26207, op 12 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is, samen met zijn voogd: [voogd] , verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook zijn verschenen [A] en [B] als begeleiders van eiser. Als tolk is verschenen H.L. Arrag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. Op 11 mei 2021 heeft hij als alleenstaande minderjarige in Nederland een asielaanvraag ingediend en daaraan ten grondslag gelegd dat hij geld heeft gestolen van zijn vader en daardoor door zijn vader wordt bedreigd. Bij terugkeer naar Marokko vreest eiser om vermoord of mishandeld te worden door zijn vader.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen omdat Marokko een veilig land van herkomst is en er geen aanleiding is om aan te nemen dat Marokko ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Ook heeft eiser geen enkele poging ondernomen om hulp te zoeken van de autoriteiten of om zijn familie te laten bemiddelen in een andere oplossing. Verder is er volgens verweerder geen sprake is van overige bijzondere,
individuele omstandigheden die aanleiding geven om betrokkene op humanitaire gronden in
het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. En is er adequate opvang voor eiser aanwezig is in het land van herkomst. Eiser hoeft niet terug te keren naar zijn vader omdat eiser heeft verklaard dat zijn ouders gescheiden zijn. Hij kan terecht bij zijn moeder en dit mag van hem worden verwacht.
3. Eiser is het niet eens met het besluit voor zover het om de weigering van een reguliere vergunning gaat op basis van het buitenschuldbeleid AMV, en daarmee ook om het terugkeerbesluit. Hij voert aan dat adequate opvang in het land van herkomst voor hem ontbreekt. Eiser heeft weliswaar verklaard dat zijn ouders zijn gescheiden, maar ook dat zijn ouders weer bij elkaar woonden ten tijde van zijn vertrek. Verweerder heeft onvoldoende doorgevraagd over de woonsituatie, de scheiding en de gevolgen daarvan. Daarbij wijst eiser naar jurisprudentie van het Hof van Justitie1 en de Afdeling2. Verder zijn er aanwijzingen dat terugkeer tot ernstig zelfbeschadigend gedrag kan leiden. Tegen deze achtergrond moet verweerder dit zorgvuldig onderzoeken in het gehoor en eventueel met andere ter beschikking staande middelen als bijvoorbeeld een BMA-onderzoek. Eiser wijst daarbij ook op het arrest C.K van het Hof van Justitie.3
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Verweerder heeft eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, net als zijn verklaringen over de problemen met zijn vader wegens het stelen van geld. De afwijzing van de asielaanvraag is niet in geding. Wel is in geschil of eiser in het land van herkomst adequate opvang heeft. Bij gebrek aan adequate opvang, kan eiser aanspraak maken op een reguliere verblijfsvergunning op grond van 3.48, tweede lid Vreemdelingenbesluit in combinatie met onderdeel B8/6 Vc. 4
6. Uit deze beleidsregels van verweerder volgt dat bij het zoeken naar een vorm van opvang die voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling als adequaat mag worden beschouwd, primair zal worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen. Opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat.
7. In het arrest TQ heeft het Hof van Justitie toegelicht aan welke verplichtingen lidstaten moeten voldoen als zij een terugkeerbesluit willen nemen voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling zoals eiser. Er moet een algemene en grondige beoordeling van de situatie van het kind worden gemaakt. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met verschillende aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige. Ook bestaat de verplichting voor de betrokken lidstaat om vóórdat een terugkeerbesluit wordt genomen, concreet te onderzoeken of er voor de niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. De Afdeling heeft hierover in bovengenoemde uitspraak overwogen dat voor zover in de eerste fase van het onderzoek onvoldoende zekerheid kan worden verkregen over de vraag of er adequate opvang is, de staatssecretaris ervoor zorgt dat hij de vreemdeling hoort over de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde aspecten en de omstandigheden waaronder hij
1. Arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, TQ, ECLI:EU:C:2021:9.
2 Uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530.
3 Arrest van het Hof van Justitie van Hof van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.
4 Paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire.
in het land van terugkeer kan worden opgevangen, in overeenstemming met punt 59 van het arrest TQ.
8. Nu verweerder het asielrelaas - waaronder de bedreigingen van zijn vader - van eiser geloofwaardig heeft geacht en uit dit relaas naar voren komt dat de vader bij de moeder en de kinderen in huis woonde, kon verweerder niet uit de enkele verklaring dat zijn ouders inmiddels gescheiden zijn, afleiden dat hij niet terug naar zijn vader hoeft. In het nader gehoor heeft eiser op de vraag of zijn ouders nog bij elkaar zijn geantwoord: “ nee, ze zijn zelfs gescheiden”. Deze verklaring is niet gecorrigeerd bij de correcties en aanvullingen en duidt erop dat de situatie ten tijde van het bestreden besluit zo was dat de ouders niet bij elkaar woonden. Het gaat daarbij gezien de vraagstelling niet alleen om de juridische status. Echter, dat in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor (tien dagen eerder) is aangegeven dat de ouders gescheiden zijn geweest, maar dat de vader terug was gekeerd bij de moeder en omdat het asielrelaas geloofwaardig is geacht, maakt dat over de vraag of de opvang adequaat was, nog niet voldoende zekerheid was verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank lag het dan ook op de weg van verweerder om eiser hieromtrent verder te bevragen dan wel op andere wijze nadere informatie in te winnen. Hier wreekt zich dat het nader gehoor, kennelijk wegens de psychische gesteldheid van eiser tamelijk abrupt is afgebroken, terwijl nog niet alle vragen waren gesteld.
9. Ook heeft verweerder (mogelijk hierdoor) onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiser. Het nader gehoor wordt afgesloten omdat de voogd vreest voor een terugval bij eiser. Eiser heeft dan net verteld dat hij bijna een jaar op een gesloten afdeling opgenomen is geweest en meerdere zelfmoordpogingen heeft ondernomen. Eiser heeft weliswaar (nog) geen medische stukken overgelegd maar gelet op de verklaringen van eiser en de mededeling van de voogd dat eiser tegen zichzelf in bescherming moest worden genomen, had verweerder deze omstandigheden ook nader moeten betrekken in de beoordeling of de opvang in Marokko adequaat is. Ook de gezondheid is immers een omstandigheid die conform artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn in acht moet worden genomen. Nu eiser zijn problemen koppelt aan de angst voor zijn vader, had verweerder dit expliciet in de overwegingen moeten betrekken.
Conclusie
10. De aanvraag is gezien het voorgaande wat betreft het reguliere onderdeel ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd, mede als gevolg van een ontoereikend onderzoek naar de omstandigheden voor opvang in Marokko. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dit besluit betrekking heeft op een reguliere verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat er door verweerder nader onderzoek naar adequate opvang voor eiser verricht zal moeten worden. Om diezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers aanhoudingsverzoek toe te wijzen.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van het “ buitenschuldbeleid AMV’ is afgewezen en een terugkeerbesluit is genomen;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 januari 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.