Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2023-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:565
Bestuursrecht
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25014 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2023 in de zaak tussen [Eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. U.H. Hansma), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. A.M. Sap). Met het bestreden besluit van 6 december 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.25015, op 12 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. De staatssecretaris heeft op 13 januari 2023 schriftelijk verweer ingediend. Eiser heeft hier op 16 januari 2023 op gereageerd. Omdat partijen, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. Dit volgt uit artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening. HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. ‘Italy Fact Sheet July 2022’, UNHCR, via https://data.unhcr.org/en/documents/details/94827. Rechtbank Den Haag, z.p. ’s-Hertogenbosch, 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. Onder meer naar de uitspraken van 26 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2497), 24 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1788), 4 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1324) en 10 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:49). Zie de in noot 6 genoemde uitspraken. Zie de in noot 6 genoemde uitspraak van 26 augustus 2022, rechtsoverweging 1.1. ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1032, en 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580. ABRvS 31 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1520. Zie de in noot 10 genoemde uitspraak. Zie noot 6. ABRvS 8 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2644. Vergelijk ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042. Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. 1. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris de aanvraag van eiser niet in behandeling had mogen nemen omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de inhoudelijke beoordeling van eisers asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoefde de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het bestreden besluit 3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat. Mag de staatssecretaris uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel? 4. Eiser betoogt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiser voert daartoe aan dat Italië zich niet houdt aan zijn verplichtingen zoals die voortvloeien uit de Procedure- en Opvangrichtlijn. Hij wijst op een AIDA-rapport van 20 mei 2022 ten aanzien van Italië. Volgens eiser blijkt hieruit dat hij bij terugkeer naar Italië wekenlang verstoken zal zijn van opvang en het risico loopt als ‘irregular migrant’ te worden aangemerkt en een vertrekplicht opgelegd te krijgen. Het op straat moeten verblijven totdat de opvang is gerealiseerd is volgens eiser een onmenselijke behandeling. Hij beroept zich hierbij op het arrest Jawo. Eiser wijst verder op informatie van het UNHCR waaruit blijkt dat de instroom van asielzoekers in Italië significant stijgt, met bijbehorende problemen om voldoende opvang te realiseren. Het risico dat ook Dublin-terugkeerders bij aankomst in Italië na overdracht niet direct toegang zullen krijgen tot de opvang en de asielprocedure, is daarmee reëel, aldus eiser. Ook wijst eiser op een Italiaanse circular letter van 5 december 2022, waaruit volgens hem blijkt dat er geen overdrachten aan Italië kunnen plaatsvinden, omdat Italië alle inkomende overdrachten heeft opgeschort. Volgens eiser bevestigt dit dat in Italië sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang van asielzoekers. Eiser voert verder aan dat Italië zich schuldig maakt aan zogenaamde pushbacks. Eiser doet hierbij een beroep op de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft gesteld over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser meent dat de antwoorden van het Hof van Justitie op deze vragen ook in zijn zaak relevant zijn, nu deze algemeen van aard zijn en zien op hoe met lidstaten moet worden omgegaan die ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht begaan. Eiser meent dat pushbacks als zodanige schendingen dienen te worden beschouwd. 4.1. De staatssecretaris stelt zich hierover op het standpunt dat hij uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij verwijst daarbij naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2022 volgt volgens de staatssecretaris dat het AIDA-rapport van mei 2022 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublin-terugkeerders in Italië dan uit de landeninformatie die bij eerdere uitspraken is betrokken. Over de circular letter stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat sprake is van een tijdelijk overdrachtsbeletsel dat het vaststellen van de verantwoordelijkheid van Italië niet onrechtmatig maakt. De staatssecretaris stelt zich verder op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser als Dublin-terugkeerder bij of na zijn overdracht aan Italië in een vergelijkbare situatie terecht zal komen als de vreemdelingen die in Italië te maken krijgen met pushbacks. Ook is volgens de staatssecretaris gesteld noch gebleken dat Italië derdelanders, die in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen, door middel van pushbacks terugstuurt naar derde landen zonder hen in de gelegenheid te stellen een asielverzoek in te dienen en dit asielverzoek te behandelen. Daarbij komt volgens de staatssecretaris dat Italië met het (fictieve) claimakkoord heeft toegezegd om eisers asielverzoek te behandelen met inachtneming van de Kwalificatie-, Procedure- en Opvangrichtlijn. 4.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. In zijn algemeenheid mag de staatssecretaris er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat Italië zijn internationale verplichtingen naleeft. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. De rechtbank legt hieronder uit waarom eiser daar niet in is geslaagd. 4.2.1 Uit recente rechtspraak volgt dat voor Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Uit deze rechtspraak volgt ook dat het AIDA-rapport waarnaar eiser verwijst niet een wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië dan de informatie die in eerdere uitspraken is meegewogen. 4.2.2. Eisers verwijzing naar de circular letter van 5 december 2022 leidt niet tot een ander oordeel. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat het in het bestreden besluit gaat om de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat. Dat de overdracht van eiser door de in deze brief vermelde opschorting op dit moment niet kan worden uitgevoerd betreft een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel dat de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig maakt. Het staat er ook niet aan in de weg dat, als dat beletsel is opgeheven, de vreemdeling in beginsel alsnog kan worden overgedragen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraken van de Afdeling over de Italiaanse circular letter met betrekking tot het coronavirus en over de aankondiging door Roemenië om alle Dublinoverdrachten op te schorten vanwege de grote toestroom van vluchtelingen door de oorlog in Oekraïne. In de circular letter staat namelijk: “(…) This is to inform you that due to suddenly appeared technical reasons related to unavailability of reception facilities Member States are requested to temporarily suspend transfers to Italy from tomorrow, with the exception of family reunification of unaccompanied minors. (…)” Deze tekst duidt weliswaar op een probleem dat aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan raken, maar hieruit blijkt niet dat sprake is van structurele en fundamentele tekortkomingen in de Italiaanse opvangvoorzieningen. Dit wordt bevestigd door een later bericht van de Italiaanse autoriteiten van 4 januari 2023, waar de staatssecretaris in zijn reactie van 13 januari 2023 naar verwijst. In dat bericht wordt de staatssecretaris verzocht om alle voor januari geplande overdrachten te annuleren en opnieuw te plannen in februari. Dit vanwege een “severe scarcity of reception facilities” als gevolg van “ intense arrivals by both sea and land”. Met het beroep op de circular letter heeft eiser het bewijsvermoeden dat uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dan ook niet weerlegd. De rechtbank wijst er daarbij op dat met de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Als de opschorting van de Dublinoverdracht door Italië langer duurt dan de overdrachtstermijn, zal de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling namelijk alsnog inhoudelijk moeten behandelen. Deze rechtbank en zittingsplaats komt hiermee tot een ander oordeel dan de zittingsplaats Utrecht van deze rechtbank. 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.