Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:5523
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,542 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.4214
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.4215, op 28 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Ankomah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk is daarmee akkoord gegaan met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Datum asielaanvraag
2. Eiser voert aan dat het terugnameverzoek van 7 november 2022 niet tijdig is ingediend. Eiser heeft zich op 15 augustus 2022 al gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter
Apel voor zijn asielaanvraag. Pas zes weken later, op 24 september 2022, is hij door verweerder in de gelegenheid gesteld om een aanvraagformulier te ondertekenen. Dit is niet binnen de in artikel 6, eerste lid, van Richtlijn (EU) nr. 2013/32 (Procedurerichtlijn) genoemde termijn, zodat verweerder in strijd met dit artikel en in strijd met artikel 5 van de Procedurerichtlijn heeft gehandeld. Eiser had immers eerder in de gelegenheid gesteld moeten worden om zijn aanvraag formeel in te dienen. Eiser wijst er verder op dat verweerder door deze handelswijze ook in strijd met punt 12 van de considerans van de Dublinverordening heeft gehandeld, waarin staat dat de Procedurerichtlijn en de Dublinverordening naast elkaar staan. Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Procedurerichtlijn moet 15 augustus 2022, dan wel 18 augustus 2022 worden aangemerkt
als de datum van de asielaanvraag. Uitgaande van die data zijn de vingerafdrukken van eiser niet tijdig ingevoerd in Eurodac, en is ook het terugnameverzoek niet tijdig ingediend.
Nederland is daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van eiser zijn asielaanvraag. De handelwijze die verweerder in deze zaak heeft gehanteerd werkt bovendien willekeur in de hand, omdat verweerder op deze manier de termijnen in de Dublinverordening kan frustreren.
3. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) van 17 december 2020, Europese Commissie tegen Hongarije, C‑808/181, r.o. 93 volgt dat de lidstaten in het algemeen alle verzoeken om internationale bescherming die een derdelander of een staatloze doet bij nationale autoriteiten die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen, binnen de in artikel 6 van richtlijn 2013/32 vastgestelde termijn moeten registreren en er vervolgens voor dienen te zorgen dat de betrokkenen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om hun verzoek zo snel mogelijk (formeel) in te dienen2.
Uit r.o. 97 volgt dat een dergelijk verzoek wordt geacht te zijn gedaan zodra de betrokkene bij een van de in artikel 6, lid 1, van de Procedurerichtlijn bedoelde autoriteiten te kennen heeft gegeven internationale bescherming te wensen, zonder dat de weergave van deze wens aan enige administratieve formaliteit kan worden onderworpen3.
Uit r.o. 101 volgt dat op de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is gedaan, de termijn ingaat waarbinnen dit verzoek overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die richtlijn moet worden geregistreerd en waarbinnen de verzoeker in de gelegenheid moet zijn gesteld om zijn verzoek om internationale bescherming zo snel mogelijk in te dienen, zoals is vereist in artikel 6, lid 2, van die richtlijn.
Uit r.o. 102 volgt dat het bestaan van dit recht om een dergelijk verzoek te doen, er dus een voorwaarde voor is dat het recht op registratie, indiening en behandeling van dit verzoek binnen de in de Procedurerichtlijn gestelde termijnen daadwerkelijk wordt geëerbiedigd en uiteindelijk dat er sprake is van een doelmatig asielrecht zoals gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest.
Uit r.o. 103 volgt dat een lidstaat het tijdstip waarop de betrokken persoon in de gelegenheid wordt gesteld zijn verzoek om internationale bescherming te doen dus niet op ongerechtvaardigde wijze kan uitstellen, omdat anders aan artikel 6 van deze richtlijn zijn nuttige werking wordt ontnomen.
1ECLI:EU:C:2020:1029.
2 zie in die zin het arrest Hasan van het Hof van 25 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:35, r.o. 76.
3 zie in die zin arrest van het Hof van 25 juni 2020, Ministerio Fiscal, ECLI:EU:C:2020:495, r.o. 93 en 94.
4. De vraag is of verweerder het tijdstip waarop eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn verzoek om internationale bescherming te doen laten registreren, op ongerechtvaardigde wijze heeft uitgesteld.
5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiser zich op 15 augustus 2022 bij verweerder heeft gemeld en zijn asielwens heeft geuit. Dit volgt ook uit de overgelegde afsprakenkaart waarop staat “eerste aanvraag”. Deze uiting dient te gelden als verzoek om internationale bescherming als gevolg waarvan de termijnen als bedoeld in artikel 6 van de Procedurerichtlijn van toepassing zijn. Eiser stelt tevens dat hij vervolgens pas op
24 september 2022 door verweerder in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraagformulier te ondertekenen. Verweerder heeft dit niet betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder weliswaar in het geval van eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van de Procedurerichtlijn door niet de in dat artikel genoemde termijnen in acht te nemen, maar niet is gebleken dat verweerder de mogelijkheid voor eiser om zich te kunnen laten registreren op ongerechtvaardigde wijze heeft uitgesteld. Immers, in de periode dat eiser zijn asielwens heeft geuit heeft verweerder te maken gehad met een zodanige verhoogde instroom aan asielzoekers als gevolg waarvan deze termijnen kennelijk niet konden worden gehaald. Met wat is aangevoerd is de rechtbank niet gebleken dat er bij verweerder sprake is van een vaste en algemene praktijk dat deze termijnen niet in acht worden genomen, waarmee de daadwerkelijke, vlotte en snelle toegang tot de procedure inzake internationale bescherming niet langer gewaarborgd is en artikel 6 van de Procedurerichtlijn zijn nuttige werking is ontnomen.
Daarbij vindt de rechtbank in de situatie van eiser nog van belang dat uitgaande van de datum van de formele indiening van het verzoek om internationale bescherming, het tijdsverloop van veertig dagen sinds de aanmelding tot die datum niet dusdanig is dat daarmee in zijn geval afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van de Dublinverordening, dat zo snel mogelijk moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
6. Vervolgens uitgaande van de datum van formele indiening van de asielaanvraag, te weten 24 september 2022, is het verzoek om terugname van 7 november 2022 tijdig gedaan. Dit omdat het terugnameverzoek is gebaseerd op de gegevens uit Eurodac van 24 september 2022 en het verzoek tot terugname volgens artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening zo snel mogelijk wordt ingediend en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer op grond van artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 603/2013 (Eurodacverordening). Er is de rechtbank gelet op het voorgaande en ook anderszins niet gebleken van een zodanige toepassing van de Dublinverordening dat deze leidt tot
willekeur. De beroepsgrond slaagt niet.
Bedenktijd aangifte mensenhandel
7. Eiser voert aan dat hij slachtoffer is van mensenhandel en dat hem een bedenktijd in de zin van artikel 6, eerste lid, van Richtlijn nr. 2004/81/EG moet worden geboden. Tijdens deze bedenktijd mag eiser niet worden overgedragen. De reden dat eiser nog geen aangifte heeft gedaan is dat hij pas door zijn gemachtigde is gewezen op de mogelijkheid van het doen van aangifte. Het standpunt van verweerder over de bedenktijd in het bestreden besluit is niet duidelijk, zodat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Uit het arrest van het Hof in de zaak O.T.E.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
5ECLI:NL:RBDHA:2023:1535.
6 ECLI:EU:C:2022:809, r.o. 80.
7 ECLI:NL:RVS:2021:464.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 april 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.