Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:4920
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,760 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1650
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder
(gemachtigde: P.S. Teunissen).
Inleiding
Bij besluit van 23 februari 2023 (primair besluit) heeft verweerder de uitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet (Pw) beëindigd met ingang van 1 maart 2023.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2023 op zitting behandeld. Verzoekster en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.
Overwegingen
1. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor haar onevenredig bezwaarlijk maakt dat zij de beslissing in de hoofdzaak af moet wachten.
2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat verweerder de uitkering van verzoekster heeft beëindigd per 1 maart 2023, dat er schulden zijn, dat ze onder bewindvoering staat en hiermee in de problemen komt als ze geen inkomen heeft en dat ze de zorg heeft over haar vier minderjarige kinderen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om uit te gaan van een voldoende spoedeisend belang.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Verzoekster ontvangt sinds 1 mei 2018 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat ingeschreven op het adres [adres] [nummer] te [plaats] . Zij staat daar ingeschreven met haar vier minderjarige kinderen. De vader van haar oudste twee kinderen is niet meer in beeld. Tijdens een gesprek met verweerder op 2 juni 2021 gaf zij aan dat de vader van haar twee jongste kinderen, dhr. [A] ( [A] ), gemiddeld drie nachten per week bij haar slaapt, voor alle vier de kinderen zorgt en haar geld geeft als zij tekort komt. Verzoekster heeft tevens uitgesproken dat zij uiteindelijk wel met hem wil samenwonen. In oktober 2021 heeft ze verklaard dat [A] in het weekend bij haar is. Hierin heeft verweerder aanleiding gezien een rechtmatigheidsonderzoek te starten. In het kader van dat onderzoek heeft verweerder de gemeentelijke basisadministratie geraadpleegd, administratief onderzoek gedaan, gegevens over het waterverbruik opgevraagd, een huisbezoek afgelegd en een gesprek met verzoekster gevoerd. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 20 februari 2023.
4.2.
Verweerder heeft op basis van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat verzoekster haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet op te geven dat [A] zijn feitelijk hoofdverblijf heeft bij haar en ze met hem een gezamenlijke huishouding voert. Verweerder heeft daarop het primaire besluit genomen.
4.3.
Verzoekster heeft in de kern aangevoerd dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, omdat [A] niet zijn hoofdverblijf heeft in haar woning.
5. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5.1.
Een besluit tot beëindiging van bijstand is een voor verzoekster belastend besluit. Het is daarom aan verweerder om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast in beginsel op verweerder rust en dat het in dit geval op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat verzoekster de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat [A] zijn hoofdverblijf bij haar had.
5.2.
Op grond van het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw opgenomen onweerlegbaar rechtsvermoeden wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
5.3.
Vast staat dat verzoekster en [A] samen twee kinderen hebben. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of verzoekster en [A] op de datum in geding (1 maart 2023) een gezamenlijke huishouding voerden slechts bepalend is of zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Het hoofdverblijf van iemand is naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De vraag of sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf bij een kortdurend of tijdelijk gezamenlijk verblijf, dient eveneens te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing.
5.4.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende. In het kader van het rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder op 13 februari 2023 omstreeks 8:10 uur een huisbezoek bij verzoekster afgelegd met als doel het vaststellen van de feitelijke woon- en leefsituatie. Bij aankomst werd de deur door [A] geopend. Verzoekster verklaarde hierover dat hij daar was, omdat hij de kinderen naar school ging brengen omdat zij een andere afspraak had. Tijdens het huisbezoek werd onder meer het volgende bevonden. In de slaapkamer van verzoekster stond een groot tweepersoonsbed, waarvan te zien was dat beide kanten beslapen waren. Ook stond er een grote wandkast. In deze wandkast lagen onder meer spullen van [A] , te weten een paar joggingbroeken en truien en een aantal verzorgingsproducten zoals shampoo en deodorant. In de badkamer lag een tandenborstel van [A] . Op de tweede etage stond onder andere de wasmachine en wasrekken. Op de vraag van verweerder of er op de wasrekken ook was hing van [A] , antwoordde ze dat dit waarschijnlijk wel het geval was, een paar boxershorts.
5.5.
Aansluitend aan het huisbezoek heeft verweerder een gesprek met verzoekster gevoerd. Blijkens het gespreksverslag heeft verzoekster onder meer verklaard dat [A] soms een hele week bij haar is, soms een hele week niet, en dat hij er soms 4 of 5 dagen is. Het klopt dat hij er eerst alleen in het weekend was en dat het meer geworden is. Verder heeft ze verklaard dat ze eerst uit de schulden wil zijn voordat ze gaan trouwen, dat [A] ook schulden heeft, dat hij over een sleutel van haar woning beschikt, dat hij niet mee betaalt in de kosten van huishouding en huur, dat hij soms wel financieel bijspringt als ze geen leefgeld meer heeft, dat ze al jaren een relatie met hem heeft, dat hij haar twee oudste kinderen heeft opgevoed en dat [A] niet veel spullen heeft, slechts 3 of 4 joggingbroeken. Verweerder heeft verzoekster tijdens dit gesprek geadviseerd om officieel te gaan samenwonen met [A] per 1 maart 2023, zodat het niet wringt met de alleenstaande bijstandsuitkering. In reactie op het gespreksverslag heeft verzoekster gesteld dat zij nooit heeft verklaard dat zij en [A] samenwonen, slechts dat hij wel eens langer bij haar verblijft als zij gezondheidsproblemen heeft of naar een afspraak moet. Zijn verblijf bij haar bedraagt echter niet, zoals verweerder stelt, standaard 4 à 5 dagen per week. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat [A] zo’n 2 dagen per week bij haar verblijft. Momenteel gaat het niet goed met de relatie. Zij en [A] zullen niet gaan samenwonen, omdat er geen sprake is van een stabiele relatie.
5.6.
Hoewel de voorzieningenrechter verweerder kan volgen in zijn standpunt dat de verklaringen van verzoekster op punten twijfels oproepen, acht zij deze twijfel onvoldoende om zonder nader onderzoek aannemelijk te achten dat [A] zijn hoofdverblijf heeft in de woning van verzoekster. De conclusie in het aanvullend rapport van 8 maart 2023 dat de huidige frequentie van het verblijf van [A] bij verzoekster 4 á 5 dagen in de week bedraagt, wordt niet gedragen door de onderzoeksresultaten. Immers heeft verzoekster tijdens het gesprek met verweerder verklaard dat hij soms 4 á 5 dagen per week bij haar verblijft. Dat hij ten tijde van het huisbezoek een week bij haar verbleef, hield verband met ziekte, aldus verzoekster. Verder heeft zij aangegeven dat het juist is dat [A] in de loop der tijd meer bij haar verbleef dan enkel de weekenden, maar dat dit niet elke week 4 á 5 dagen betrof. Dat er zich een aantal kledingstukken en verzorgingsproducten van [A] in haar woning bevindt, leidt - gelet op de omstandigheid dat [A] een aantal dagen per week bij verzoekster is - naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot voldoende ondersteunend bewijs voor zijn hoofdverblijf bij verzoekster. In het aanvullend rapport is nog opgemerkt dat bij de rapporteurs de indruk bestond dat verzoekster en [A] samen verder wilden maar dat de aflossing van de schulden een obstakel vormde om de samenwoning officieel te maken en dat zij de indruk hadden dat verzoekster zich kon verenigen met het voorstel om de uitkering per 1 maart 2023 te beëindigen. Nu dit slechts indrukken zijn en verzoekster bovendien verklaard heeft dat zij zich door de rapporteurs gepusht voelde om te gaan samenwonen, draagt dit evenmin bij aan de aannemelijkheid dat [A] zijn hoofdverblijf bij verzoekster heeft.
6.
Dictum
De voorzieningenrechter
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van de Wetering, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2023.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3467.