Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:4292
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,821 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.10802
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: T. Pourjalili).
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd, omdat is gebleken dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft dan wel niet is gebleken dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens verweerder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan hij zou moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft verder bepaald dat eiser Nederland binnen een termijn van 28 dagen moet verlaten. Ook heeft een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij betoogt dat zowel het terugkeerbesluit als inreisverbod in strijd zijn met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Daarnaast had verweerder gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Verder vindt eiser dat verweerder om humanitaire redenen had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod. Tot slot doet hij een beroep op artikel 8 van het EVRM. Eiser werkt en woont al drie jaar in Nederland en is niemand tot last.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Terugkeerbesluit
4.1
De rechtbank stelt voorop dat een terugkeerbesluit niet meer inhoudt dan de administratieve vaststelling dat een onderdaan van een derde land illegaal in Nederland verblijft en dat op hem de verplichting tot vertrek rust.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser onrechtmatig in Nederland verbleef toen hem een terugkeerbesluit werd opgelegd. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij na het verlopen van zijn visum, en na zijn aankomst in de Europese Unie drie jaar geleden, nooit is vertrokken uit de EU. Eiser heeft verder verklaard dat hij niet terug wil naar Marokko en dat een aantal ooms van hem in Nederland verblijft. Eiser heeft verklaard dat hij geen gezondheidsproblemen heeft en dat hij geen onmenselijke behandeling vreest bij terugkeer naar Marokko. Hij heeft verder ook geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder van het terugkeerbesluit had moeten afzien. Verweerder heeft het terugkeerbesluit dan ook op goede gronden opgelegd.
4.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat het terugkeerbesluit in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings- en (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Dit betoog is overigens ook op geen enkele wijze onderbouwd.
Inreisverbod
5.1.
Nu het terugkeerbesluit in rechte stand kan houden, heeft verweerder aan eiser een inreisverbod kunnen opleggen, omdat hij langer in Nederland heeft verbleven dan dat zijn visum geldig was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven afzien van het opleggen van het inreisverbod. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden hoeven zien in wat eiser tijdens het gehoor naar voren heeft gebracht.
Voor zover eiser betoogt dat verweerder vanwege humanitaire redenen had moeten afzien van een inreisverbod, volgt de rechtbank hem daarin niet. Los van het feit dat verweerder daarbij beoordelingsvrijheid toekomt, heeft eiser dit niet onderbouwd. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende uitgelegd waarom hij niet afziet van het uitvaardigen van een inreisverbod.
5.2.
Dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM volgt de rechtbank niet. De enkele, niet-onderbouwde, stelling dat eiser hier al drie jaar woont en werkt is hiervoor onvoldoende. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser wist dat hij na het verlopen van zijn visum Nederland moest verlaten en dat hij hier al die tijd dus onrechtmatig verbleef.
5.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn betoog dat het inreisverbod in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings- en (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft dit betoog verder ook niet onderbouwd.
5.4.
Het beroep op artikel 4:84 van de Awb slaagt evenmin. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd van welke beleidsregel verweerder had moeten afwijken.
Wat is de conclusie?
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Volgens artikel 3, vierde lid van de Terugkeerrichtlijn.
Zie artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000 en artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:368).