Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:3792
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
868 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22779
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P. Celikkal)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.E. Beket).
Procesverloop
Bij het bestreden besluit van 7 november 2022 heeft verweerder eiser opgedragen binnen een termijn van vier weken Nederland, het grondgebied van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland te verlaten en terug te keren naar Argentinië. Verweerder heeft hem ook een inreisverbod voor de duur van één jaar opgelegd.
Eiser heeft hiertegen op 8 november 2022 beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder voorafgaande mededeling, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Uit vaste rechtspraak volgt dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken, belang houdt bij een inhoudelijke beoordeling van een uitgevaardigd inreisverbod als hij zijn gemachtigde gedurende de gehele procedure op de hoogte houdt van zijn verblijfplaats en met hem steeds in contact blijft over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Hij moet in ieder geval contact met zijn gemachtigde onderhouden voordat de rechtbank het onderzoek sluit.
2. Ter zitting van 7 maart 2023 heeft de gemachtigde van verweerder meegedeeld dat zij in het systeem ziet dat eiser vrijwillig heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Eiser noch zijn gemachtigde heeft aan de rechtbank op enig moment bekend gemaakt dat zij vóór sluiting van het onderzoek contact hebben onderhouden en dat eiser nog prijs stelde op beoordeling van het inreisverbod.
3. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat eiser vrijwillig heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting en dat ook niet is gebleken van een belang van eiser om binnen één jaar nadat hij Nederland heeft verlaten – bijvoorbeeld in verband met werk of familiebezoek – de EU, de EER en Zwitserland in te kunnen reizen en daardoorheen te kunnen reizen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2023 door mr. W.R. van Hattum, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2090 en de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:584.