Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-21
ECLI:NL:RBDHA:2023:3728
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,556 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/1874
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] (Spanje), eiser
en
de staatssecretaris van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. P.E. van der Waal).
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2020 (het primaire besluit) is een verzoek van eiser om verstrekking van informatie op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob), afgewezen.
In het besluit van 13 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld van [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder was ook aanwezig [B].
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser wil met een beroep op de Wob allerlei documenten en foto’s ontvangen. Verweerder betoogt dat deze documenten vallen onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
Wat stelt eiser in beroep?
2. Eiser kan de gevraagde informatie niet op een andere manier krijgen dan met een Wob-verzoek. Met de openbaarmaking van de stukken wordt een algemeen belang gediend dat zwaarder weegt dan de fiscale geheimhoudingsplicht. Eiser heeft er geen bezwaar tegen dat de stukken voor een ieder openbaar worden gemaakt.
Wat zijn de regels?
3. In artikel 67, eerste lid, van de Awr is bepaald dat het een ieder verboden is hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).
Volgens het tweede lid geldt de geheimhoudingsplicht niet indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
Volgens het derde lid kan in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
4. Uit de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling heeft met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. De bestuursrechter hoeft bij documenten die specifiek zijn opgesteld of verkregen in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de Belastingwet, in de Wob-procedure niet per document te beoordelen of daar mogelijk nog gegevens in staan die niet onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr vallen. Deze beoordeling is bij zulke documenten, vanwege de aard van deze documenten, voorbehouden aan de burgerlijke rechter. Documenten die tot het fiscale dossier behoren van een specifieke rechtspersoon of natuurlijk persoon zijn zulke documenten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van informatie die deel uitmaakt van zijn fiscale dossier waarover de Belastingdienst beschikt in verband met de uitvoering van de belastingwet. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de verzochte stukken onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr vallen. Dit betekent dat verweerder deze stukken niet openbaar mag maken. Voor een belangenafweging is er geen ruimte. Dat eiser met het Wob-verzoek inzicht wil krijgen in de door de Belastingdienst over hem gebruikte informatie in een (woonplaats)onderzoek en geen bezwaar heeft tegen het openbaar maken van die stukken voor een ieder, doet aan het vorenstaande niet af.
6. Niet is gebleken dat in dit geval een uitzondering als bedoeld in artikel 67, tweede en derde lid, van de Awr aan de orde is. Met een verwijzing naar artikel 67, eerste lid, van de Awr is de ongegrondverklaring van het bezwaar voldoende gemotiveerd.
7. De rechtbank merkt op dat eiser op zitting heeft verklaard dat hij met betrekking tot de kwestie met de Belastingdienst nog een civiele procedure zal voeren. In die civiele procedure kan eiser het verstrekken van de door hem gewenste documenten en foto’s door de Belastingdienst, aan de orde stellen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3317.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:267.