Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:3310
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.5945
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel al eerder getoetst. Uit de uitspraak van 16 december 2022 (in de zaak NL22.24516) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 14 december 2022), rechtmatig was.
Deze maatregel duurt nog voort. Inmiddels is een lange termijn verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, toetst de rechtbank nu ambtshalve of deze maatregel nog voldoet aan de eisen die daaraan door het Unierecht worden gesteld; hiertoe heeft de rechtbank een bericht van verweerder ontvangen.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop niet voorafgaand aan de zitting gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich op de zitting in Groningen laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de voortgangsrapportage leidt de rechtbank af dat verweerder op 2 november 2022 een laissez-passer (lp) aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten heeft verzonden. Ook blijkt hieruit dat verweerder zesmaal schriftelijk heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag, waarvan meest recentelijk op 24 februari 2023. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser niet kunnen of willen overgaan tot de afgifte van een lp en dat daarom zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) heeft geoordeeld dat er in zijn algemeenheid ten aanzien van Marokko nog steeds van ‘zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn’ kan worden uitgegaan. Verder acht de rechtbank het van belang dat eiser, blijkens de verslagen van de met hem gevoerde vertrekgesprekken, niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer. Deze medewerking mag wel van hem worden verwacht, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2672).
4. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds het sluiten van het onderzoek in het vorige beroep op 27 december 2022, 25 januari 2023 en 24 februari 2023 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Daarnaast heeft verweerder sindsdien op 22 december 2022, 12 januari 2023, 3 februari 2023 en 24 februari 2023 gerappelleerd op de lp-aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee actief en voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser.
5. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek op 14 december 2022 en het sluiten van het onderhavige onderzoek op 10 maart 2023 op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarom bestaat er geen aanleiding om de maatregel op te heffen en schadevergoeding aan eiser toe te kennen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Willems - Keekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.