Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-01-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:289
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,315 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.195
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel is op 21 december 2022 omgezet naar een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Deze laatste bewaring duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 januari 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Tunesische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van
5 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10378. Vervolgens zijn al eerder vervolgberoepen ingediend. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12347 en van 21 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14053. In de laatstgenoemde uitspraak staat dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 20 december 2022, rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt omdat de maatregel van bewaring niet tijdig is omgezet. Eiser veronderstelt dat hij al op 17 december 2022, aansluitend op het moment dat zijn uitzetting naar Tunesië mislukte, heeft verklaard dat hij asiel wil aanvragen. Niettemin is hij pas op 19 december 2022 in de gelegenheid gesteld asiel aan te vragen en is de grondslag van de bewaring pas op 21 december 2022 gewijzigd. Op grond van vaste jurisprudentie had verweerder binnen twee dagen na 17 december 2022 de grondslag van de bewaring moeten wijzigen.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder in de situatie dat de bewaring niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust, voldoende voortvarend handelt indien de maatregel van bewaring binnen 48 uur is omgezet naar een andere grondslag.
6. Uit de voortgangsrapportage volgt dat eiser op 19 december 2022 te kennen heeft gegeven dat hij asiel wenst aan te vragen. Op diezelfde dag is eiser daartoe in de gelegenheid gesteld, waarna de maatregel van bewaring op 21 december 2022 tijdig, want binnen 48 uur, is omgezet. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat eiser reeds op 17 december 2022 heeft verklaard dat hij asiel wil aanvragen. Dit blijkt immers niet uit de voortgangsrapportage, noch heeft eiser dit op andere wijze onderbouwd. De enkele stelling van de gemachtigde van eiser dat ‘het er alle schijn van heeft’ dat eiser aansluitend op zijn mislukte verwijdering al aan verweerder te kennen heeft gegeven dat hij asiel wenst aan te vragen, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. De rechtbank ziet ten slotte ambtshalve geen reden om te oordelen dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde
publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082 en 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de
gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.