Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:2273
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,016 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/7325
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder
(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).
Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het ouderdomspensioen van eiser ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm van een alleenstaande met ingang van 1 augustus 2021 herzien naar de norm van een gehuwde.
Bij besluit van 3 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser ontvangt sinds 6 oktober 2014 een AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande. Op 14 juli 2021 is hij een geregistreerd partnerschap onder partnerschapsvoorwaarden aangegaan met mevrouw [A], geboren op [geboortedag] 1958 in Bagdad, Irak (mevrouw [A]). Eiser en mevrouw [A] zijn het geregistreerd partnerschap aangegaan om, zoals eiser dat verwoordt, “enige vorm van zorg voor elkaar in voor- en tegenspoed naar elkaar voor de toekomst vast te leggen.” Zij zijn goede vrienden van elkaar, wonen niet samen en hebben gescheiden financiën. Eiser heeft verweerder uit eigen beweging op de hoogte gesteld van het geregistreerd partnerschap.
2. Besluitvorming
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aanleiding om eiser met ingang van 1 augustus 2021 een AOW-pensioen naar de norm van gehuwde toe te kennen is het geregistreerd partnerschap. In bezwaar heeft verweerder onderzoek verricht naar de woonsituatie van eiser en mevrouw [A] door middel van vragenformulieren die eiser en mevrouw [A] afzonderlijk hebben ingevuld. Op basis van de aldus verkregen informatie heeft verweerder geconcludeerd dat eiser en mevrouw [A] niet duurzaam gescheiden leven. Zo hebben zij regelmatig contact met elkaar, verzorgen zij elkaar tijdens ziekte, leggen zij gezamenlijk bezoeken af, maken zij samen uitstapjes, gaan zij samen met vakantie en koken en eten zij samen. Voor de AOW moeten zij daarom als gehuwden worden aangemerkt, aldus verweerder.
Geschil
Eiser betoogt samengevat dat verweerder hem naar aanleiding van het geregistreerd partnerschap ten onrechte AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde is gaan toekennen. Zij wonen op verschillende adressen en zijn financieel onafhankelijk van elkaar zoals blijkt uit de partnerschapsvoorwaarden. Bovendien zal mevrouw [A] pas in november 2027 AOW gaan ontvangen, terwijl eiser tot die tijd maandelijks € 400,- bruto minder ontvangt. Eiser en mevrouw [A] gaan als goede vrienden met elkaar om en dragen ieder hun eigen financiële lasten, ook voor de dagelijkse boodschappen en hun gezamenlijke vakanties. Verweerder is daar in het bestreden besluit ten onrechte niet op ingegaan, aldus eiser. Hij benadrukt dat hij zelf melding heeft gemaakt van het geregistreerd partnerschap.
Beoordeling
Geschil
4.1.
De AOW maakt onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden en stelt het geregistreerd partnerschap gelijk aan gehuwd zijn. Degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd, wordt als ongehuwd aangemerkt. Onafhankelijk van de intenties waarmee en de schriftelijke voorwaarden waaronder eiser en mevrouw [A] het geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, verbindt de AOW aan hun geregistreerd partnerschap het juridische gevolg dat eiser en mevrouw [A], als geregistreerde partners, voor de AOW en de daarop berustende bepalingen in beginsel gelijk worden gesteld met gehuwden. Dat is alleen anders als zij duurzaam gescheiden leven.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van het huwelijk (of het aangaan van het geregistreerd partnerschap) de betrokkenen de intentie hebben − al dan niet op termijn − een echtelijke samenleving aan te gaan, maar valt niet uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum (of datum van het geregistreerd partnerschap) van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de CRvB het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ als volgt uit. Gehuwde mensen (voor de AOW dus ook: aan gehuwden gelijk gestelde geregistreerde partners) leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers ook bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen.
4.3.
Feiten
Ter zitting heeft eiser opgemerkt dat de regels over geregistreerd partnerschap en gehuwden niet meer van deze tijd zijn. Zoals uit een uitspraak van de CRvB volgt is ook het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich ervan bewust dat de huidige regels over leefvormen in de AOW niet altijd meer aansluiten bij de beleving van burgers, maar is de wetgever nu aan zet.
Conclusie
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Verweerder heeft het ouderdomspensioen van eiser gelet op het geregistreerd partnerschap daarom terecht herzien naar een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en zijn beroep daarom ongegrond zal worden verklaard.
Proceskosten
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b en d en derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.
Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 26 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2013 en de daarin aangehaalde jurisprudentie.
Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 24 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1453.
Zie de uitspraak van de CRvB van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2440.
Zie de uitspraak van de CRvB van 14 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:822, rechtsoverweging 4.4.