Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:2253
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,849 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/1589
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], Turkije, eiser
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Krikhaar).
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 25 januari 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is verschenen de dochter van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat ging aan deze zaak vooraf?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1956 in Turkije en heeft de Turkse nationaliteit. Hij verkreeg het Nederlanderschap bij Koninklijk Besluit van 4 februari 1994. Vanaf dat moment had eiser zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. Op 6 mei 1999 is voor het laatst een Nederlands paspoort aan eiser verstrekt, geldig tot 6 mei 2004. Eiser is op 30 september 2004 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Rotterdam, wegens emigratie naar een onbekende bestemming. In oktober 2009 is eiser opgepakt in Aksaray, Turkije waarna hij gedetineerd zat tot 1 mei 2016.
Het bestreden besluit
2. Volgens verweerder heeft eiser het Nederlanderschap op 30 september 2014 van rechtswege verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, omdat hij gedurende een onafgebroken periode van tien jaar onafgebroken hoofdverblijf heeft gehad in Turkije en zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit had. Verweerder heeft daarom geweigerd eisers aanvraag om een Nederlands paspoort in te willigen.
Wat zijn de regels?
3. De regels staan in de RWN. Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland.
Wat vinden partijen in beroep?
4. Eiser betwist dat zijn hoofdverblijf sinds 30 september 2004 buiten Nederland was gevestigd. Bij de aanvraag en in bezwaar heeft hij documenten overgelegd die aantonen dat bedrijven en overheidsinstanties hem in deze periode persoonlijk op zijn adres in Nederland hebben aangeschreven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij hiermee niet heeft aangetoond dat hij in deze periode zijn hoofdverblijf in Nederland had. Eiser stelt voorts dat niet alles wat hij in bezwaar heeft aangevoerd is betrokken bij het advies van de IND in verband met de beoordeling van de evenredigheid verlies Unieburgerschap. Zo heeft hij aangevoerd dat zijn banden met Turkije minder zijn dan zijn banden met Nederland.
5. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat eiser niet is tegengeworpen dat hij na zijn uitschrijving uit de BRP in 2004 hoofdverblijf had in Turkije. Eiser heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet aangetoond dat hij na deze uitschrijving tot zijn arrestatie in Turkije in 2009 hoofdverblijf in Nederland had.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Niet in geschil is dat eiser na een door de gemeente Rotterdam ingesteld adresonderzoek op 30 september 2004 is uitgeschreven uit de BRP van de gemeente Rotterdam. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de documenten die eiser heeft overgelegd niet aantonen dat hij in de periode van 30 september 2004 tot zijn aanhouding in Turkije in oktober 2009 zijn hoofdverblijf in Nederland had. Ondanks het verzoek van verweerder bij email van 26 maart 2018, heeft eiser geen rekeningafschriften op zijn naam overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat er bijschrijvingen zijn gedaan op deze rekening in verband met salarisbetalingen of andere uitkeringen, dan wel afschrijvingen in verband met boodschappen of ander levensonderhoud. Dat eiser na zijn uitschrijving uit de BRP op zijn laatste adres nog aan hem gerichte post van overheidsinstanties en bedrijven, waaronder polisbladen, brieven van de verhuurder en de energieleverancier, heeft ontvangen, toont niet aan dat hij in deze periode ook daadwerkelijk zijn hoofdverblijf in Nederland had. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de echtgenote van eiser na zijn uitschrijving uit de BRP nog op dat adres stond ingeschreven. Anders dan eiser stelt heeft verweerder hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom de overlegde stukken niet voldoende zijn om het hoofdverblijf in Nederland aan te tonen.
7. Wat betreft de Unierechtelijke evenredigheidstoets heeft verweerder er onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling terecht op gewezen dat de band van eiser met Nederland bij deze toets geen rol speelt. De IND was dus ook niet gehouden dit in haar advies te betrekken.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van verweerder, dat eiser op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN het Nederlanderschap sinds 30 september 2014 van rechtswege heeft verloren, onjuist is.
9. Hieruit volgt dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd de aanvraag van eiser in behandeling te nemen, nu niet is voldaan aan de eis van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet, dat de aanvrager ten tijde van de paspoortaanvraag Nederlander is in de zin van de wet.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Rijkswet op het Nederlanderschap.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423.