Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2023-12-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:22392
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/406 uitspraak van de meervoudige kamer van 29 december 2023 in de zaak tussen [bedrijfsnaam] B.V. , uit Leiden, (hierna: [bedrijfsnaam] ) (gemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen-Krouwel), en het college van burgemeester en wethouders van Leiden, (hierna: het college) (gemachtigde: D. Bogers). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [bedrijfsnaam] tegen de afwijzing van haar aanvraag om nadeelcompensatie. 1.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 oktober 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 november 2022 op het bezwaar van [bedrijfsnaam] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens [bedrijfsnaam] , de gemachtigde van [bedrijfsnaam] en drs. T.G. Neuféglise (deskundige), en de gemachtigde van het college en [naam 3] . Beoordeling door de rechtbank Samenvatting 2. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het college een nieuw besluit op het bezwaar van [bedrijfsnaam] zal moeten nemen. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Waar gaat deze zaak over? 3.1. [bedrijfsnaam] exploiteert een café-restaurant aan [adres] . Zij heeft op 21 juni 2019 verzocht om nadeelcompensatie in verband met het project [project] in de periode van oktober 2015 tot en met juli 2016. In het kader van dit project zijn werkzaamheden verricht voor de aanleg van de [brug 1] tussen [straatnaam 1] , waaraan [bedrijfsnaam] is gevestigd, en de [straatnaam 2] . Daarbij is de voormalige [brug 2] verwijderd. 3.2. Het college heeft berekend dat [bedrijfsnaam] een schade heeft geleden van € 121.986,00. Op dit bedrag heeft het college een kortingspercentage van 30% in mindering gebracht en het schadebedrag vastgesteld op € 85.390,00. Het college stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden tot herinrichting van het gebied [bedrijfsnaam] niet alleen een financieel nadeel hebben opgeleverd, maar ook een economisch voordeel omdat haar terras structureel is vergroot. Dit voordeel heeft het college vastgesteld op € 449.089,00. Omdat het financiële voordeel groter is dan het geleden nadeel, bestaat er volgens het college geen aanleiding om [bedrijfsnaam] nadeelcompensatie toe te kennen. Wat vindt [bedrijfsnaam] in beroep? 4.1. [bedrijfsnaam] stelt - kort gezegd - dat het college een te hoog kortingspercentage heeft toegepast. Ook stelt [bedrijfsnaam] dat het college rekenfouten heeft gemaakt bij de berekening van de referentieomzet, de voordeelverrekening en de berekening van de inflatiecorrectie. 4.2. [bedrijfsnaam] wijst er ook op dat het college niet is ingegaan op de aanwijzing van de regionale commissie bezwaarschriften dat andere aspecten een rol kunnen spelen bij een toename van de omzet. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. 4.3. Verder stelt [bedrijfsnaam] dat het college een redeneerfout maakt bij het verrekenen van het voordeel. Zij voert aan dat uit jurisprudentie volgt dat verrekening alleen mogelijk is als het voordeel met voldoende zekerheid vaststaat. Onzekere positieve gevolgen mogen niet met het nadeel worden verrekend. De omstandigheden dat geen sprake is van een groter terras (het aantal stoelen is niet toegenomen), de omzettoename enkel en alleen al verklaard kan worden vanuit de algemene groei in de branche én het gegeven dat het college geen enkele moeite gedaan heeft andere oorzaken van de omzettoename te onderzoeken, leidt volgens [bedrijfsnaam] tot de conclusie dat het oneigenlijk is om voordeelverrekening toe te passen. 4.4. Als laatste stelt [bedrijfsnaam] dat het college bij het beoordelen van de na-ijlperiode heeft nagelaten de referentieomzet op juiste wijze te extrapoleren naar het schadejaar. Wat vindt verweerder in beroep? 5. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd. Hij blijft bij wat er in het bestreden besluit staat. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6.1. [bedrijfsnaam] heeft met haar verzoek om nadeelcompensatie een deskundigenrapport van Neuféglise ingediend waarin de inkomensschade is berekend op € 141.405,00. Het college heeft een eigen berekening gemaakt en is tot de conclusie gekomen dat [bedrijfsnaam] niet voor nadeelcompensatie in aanmerking komt, omdat - kort gesteld - het voordeel dat [bedrijfsnaam] heeft als gevolg van de structurele vergroting van haar terras groter is dan de geleden schade. 6.2. [bedrijfsnaam] heeft zich vanaf het moment dat het conceptbesluit op het verzoek om nadeelcompensatie voor een zienswijze aan haar is voorgelegd, op het standpunt gesteld dat het college reken- en redeneerfouten maakt bij het berekenen van de schade. Het college is op geen enkel moment in de aanvraag- en bezwaarprocedure inhoudelijk op de gestelde reken- en redeneerfouten ingegaan. Het college heeft zich in feite alleen op het standpunt gesteld dat het met de gebruikte rekenmethode niet afwijkt van wat gebruikelijk is. Het gaat volgens het college om een rekenmethode die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is geaccepteerd. 6.3. De rechtbank acht de reactie van het college op de bedenkingen van [bedrijfsnaam] op de berekening van het college onvoldoende. Een van de onderdelen waarvan [bedrijfsnaam] vindt dat het college een rekenfout maakt is de ‘voordeelstoerekening’. De Regionale commissie bezwaarschriften heeft het college geadviseerd het primaire besluit op dit punt nader te motiveren. De commissie vindt dat als het college zich op het standpunt stelt dat de toename van de terrasomzet verband houdt met de vergroting van het terras het college moet aantonen dat de bezetting zodanig is toegenomen dat dit voor een toename van de omzet heeft gezorgd, omdat niet alleen de vergroting van het terras maar ook andere aspecten een rol kunnen spelen bij een toename van de omzet. De commissie acht hierbij van belang dat [bedrijfsnaam] heeft gesteld dat het aantal tafels/stoelen gelijk is gebleven. Het college heeft hier geen gevolg aan gegeven. De rechtbank acht dit niet zorgvuldig. 6.4. [bedrijfsnaam] heeft verder op een aantal onderdelen van de berekening bedenkingen naar voren gebracht en heeft dit in beroep uitvoerig nader onderbouwd met rekenvoorbeelden. Daarmee heeft zij twijfel gezaaid over de houdbaarheid van de berekeningen van het college. Het ligt in dit geval op de weg van het college om die twijfel weg te nemen. Dat heeft het college echter niet gedaan. Het college heeft (ook) in beroep geen andere reactie gegeven dan dat de rekenmethode die het hanteert niet onjuist of ondeugdelijk is. 6.5. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het college is onvoldoende ingegaan op de argumenten die [bedrijfsnaam] tegen de berekening(en) heeft ingebracht. Conclusie en gevolgen 7.1. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien. Ook zal de rechtbank geen bestuurlijke lus toepassen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen en rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. In het nieuw te nemen besluit zal het college moeten ingaan op de argumenten die [bedrijfsnaam] tegen de berekening(en) heeft ingebracht. Hierbij geeft de rechtbank het college in overweging een onafhankelijke deskundige in te schakelen. 7.2. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college het griffierecht vergoeden dat [bedrijfsnaam] heeft betaald. Ook moet het college de proceskosten van [bedrijfsnaam] vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.674,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde van € 837,00 per punt en wegingsfactor 1).