Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:22388
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,046 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2023:22388 text/xml public 2026-01-29T14:00:32 2026-01-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2023-11-27 SGR 23/4560 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:22388 text/html public 2026-01-29T13:59:57 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2023:22388 Rechtbank Den Haag , 27-11-2023 / SGR 23/4560 Wet open overheid Artikel 5.1., tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo, net als artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo strekt er niet toe de belangen van verzoekster te beschermen, maar het belang van het college. Het is aan het college om te beoordelen of openbaarmaking van de economische belangen van de gemeente en/of het goed functioneren van de gemeente in de toekomst schaadr en zo ja, hoe hij die belagnen afweegt tegen het belang van openbaarmaking van informatie. Het college heeft dat ook gedaan. Relativiteitsvereiste Stelling onevenredige benadeling niet onderbouwd. De voorzieningenrechter kan niet beoordelen of het college te terughoudend is geweest in het weglakken van informatie. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/4560 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2023 in de zaak tussen VORM Ontwikkeling B.V., gevestigd in Papendrecht, VORM (gemachtigde: mr. D.J. Blok), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. drs. W.M. Logtenberg). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van VORM tegen het openbaarmakingsbesluit van verweerder van 26 juni 2023. 1.1. VORM heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. 1.2. De derde partij heeft niet verklaard aan het geding deel te willen nemen. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 oktober 2023 op zitting behandeld. VORM heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en drs. D.P.L. van der Steen. 1.4. VORM heeft op de voorzieningenrechter op 8 november 2023 een brief gestuurd met nadere informatie over de bezwaarprocedure met het verzoek het onderzoek te heropenen om die informatie in deze spoedprocedure te kunnen betrekken. De voorzieningenrechter heeft partijen meegedeeld dat de informatie geen aanleiding geeft het onderzoek te heropenen en dat uitspraak zal worden gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter gaat uit van voldoende spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Waar gaat deze zaak over? 3. Het college heeft een verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ontvangen. Het verzoek ziet op het project ANNA van ontwikkelaars MRP/VORM dat wordt gebouwd op de plaats van het voormalig SZW-gebouw aan de [adres] . Verzocht is om alle op dit project betrekking hebbende correspondentie en dergelijke vanaf 7 juni 2019 tussen de gemeente en MRP/VORM en derden ter beschikking te bestellen. Het college heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Wat vindt VORM? 4.1. VORM stelt dat het college haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om een zienswijze te leveren op alle documenten. Daarnaast kan zij niet goed vaststellen welke documenten al openbaar zijn gemaakt, omdat het college de gepubliceerde documenten niet heeft genummerd overeenkomstig het besluit. 4.2. Verder stelt VORM dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het gaat daarbij voornamelijk over het ten onrechte niet weigeren van (delen van) onder de reikwijdte van het verzoek vallende documenten op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo (goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.) Deze uitzonderingsgrond geldt volgens VORM ook voor derden. VORM zal minder genegen zijn haar diensten aan het college aan te bieden als dit soort informatie openbaar gemaakt wordt. Ook de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, van de Woo (economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen), heeft volgens VORM ook betrekking op onderhandelingen met derden. Daarbij wijst VORM op informatie in de actielijsten van het projectteam. 4.3. Volgens VORM staat artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo (onevenredige benadeling) aan openbaarmaking in de weg. De documenten geven concurrenten verregaand inzicht in de werkwijze bij de herontwikkeling . 4.4. Tot slot stelt VORM dat de documenten op grond van artikel 5.2 van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen) onvoldoende gelakt zijn. Daarbij stelt VORM dat haar belangen en die van de gemeente zodanig verweven zijn dat de inbreng van haar medewerkers ook gezien moet worden als persoonlijke beleidsopvattingen. Wat is het standpunt van het college? 5. Het college heeft gemotiveerd gereageerd op de gronden van het verzoek. Het blijft bij wat in het besluit staat. Het college heeft bevestigd dat de openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 6.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende duidelijk welke informatie al openbaar is gemaakt. Het woo-besluit en de openbaar gemaakte documenten zijn immers gepubliceerd op de Woo-website van de gemeente Den Haag. 6.2. Anders dan VORM stelt, strekt artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo, net als artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo, naar het oordeel van de voorzieningenrechter er niet toe de belangen van VORM te beschermen, maar het belang van het college. Het is aan het college om te beoordelen of openbaarmaking van informatie de economische en financiële belangen van de gemeente en/of het goed functioneren van de gemeente in de toekomst schaadt en zo ja, hoe hij die belangen afweegt tegen het belang van openbaar maken van informatie. Het college heeft dat ook gedaan. In zijn verweerschrift van 18 juli 2023 heeft het college toegelicht tot de conclusie te zijn gekomen dat door (gedeeltelijke) openbaarmaking van de documenten zijn belangen niet worden geschaad, althans niet zodanig dat dit zwaarder zou wegen dan het belang van openbaarheid. 6.3. In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juli 2022 waar VORM zich op beroept, is geen steun te vinden voor het betoog dat artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b en i, van de Woo ook strekken tot bescherming van haar belangen. 6.4. Nu deze weigeringsgronden kennelijk niet de strekking hebben het belang van VORM te beschermen, staat artikel 8:69a van de Awb (relativiteitsvereiste) in de weg aan een inhoudelijk oordeel van de rechtbank over deze gronden. De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak daarom niet op deze gronden ingaan. Het relativiteitsvereiste geldt echter niet in de bezwaarfase. Het college zal deze gronden daarom, mits aangevoerd in bezwaar, in het kader van de volledige heroverweging wel bij zijn besluitvorming moeten betrekken. 6.5. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat VORM haar betoog dat zij onevenredig wordt benadeeld door openbaarmaking van informatie uit de documenten niet heeft onderbouwd. Zij heeft alleen gesteld dat openbaarmaking van de documenten haar concurrenten inzicht geeft in haar werkwijze, maar heeft niet duidelijk gemaakt om welke informatie in welke documenten het dan precies gaat. Ditzelfde geldt ook voor het betoog dat het college artikel 5.2 van de Woo te terughoudend heeft toegepast en de inbreng van de medewerkers van VORM ook had moeten opvatten als beleidsopvattingen.