Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2023-03-09
ECLI:NL:RBDHA:2023:22387
Rechtbank Den Haag Zittingsplaats ’s-Gravenhage AD/b zaak- en rolnummer: 9965060 RL EXPL 22-10412 datum: 9 maart 2023 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: Stichting Waarborgfonds Motorverkeer , gevestigd te Rijswijk, opposant, gemachtigde: mr. M.H. Pluymen, tegen [geopposeerde] , wonende te [woonplaats] , geopposeerde, procederend in persoon. Partijen worden hierna aangeduid als “Het Waarborgfonds” en “ [geopposeerde] ”. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen. - de oorspronkelijke dagvaarding van 14 maart 2022; - het verstekvonnis van 21 april 2022; - de dagvaarding in het verzet van 15 juni 2022; - de akte overlegging producties tevens houdende vordering tot terugbetaling van de zijde van Het Waarborgfonds; - de e-mail van 15 oktober 2022 van de zijde van [geopposeerde] ; - de overgelegde producties. Op 25 oktober 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij [naam 1] namens Het Waarborgfonds is verschenen bijgestaan door de gemachtigde. [geopposeerde] is in persoon verschenen. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.2. Het vonnis is bepaald op heden. 2 De vaststaande feiten De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten. 2.1. Op 21 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag Het Waarborgfonds bij verstek veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan [geopposeerde] te betalen de som van € 19.168,59 vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.211,48 vanaf 17 juli 2020 tot de dag der voldoening, met veroordeling van Het Waarborgfonds in de proceskosten. 3 Het geschil 3.1. Het Waarborgfonds vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in het verzet: ontheffing van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij vonnis van 21 april 2022; opnieuw rechtdoende de vorderingen af te wijzen; veroordeling van [geopposeerde] in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis. 3.2. Aan deze vordering heeft Het Waarborgfonds ten grondslag gelegd – kort samengevat – dat [geopposeerde] een onjuiste voorstelling van de zaken heeft gegeven rondom de vaststelling van de toedracht van de schadeclaim, met als doel een schadevergoeding te ontvangen waar hij geen recht op heeft. Zo is [geopposeerde] onduidelijk over de schadedatum, Het Waarborgfonds heeft de auto niet zelf uit kunnen lezen. Er zijn door diverse door [geopposeerde] benaderde derden rapporten opgemaakt over het ontstaan van de schade. Een van de rapporteurs, [naam 2] , rapporteert zeer summier, en er zijn ter onderbouwing geen aanvullende foto’s overgelegd, hoewel daar meerdere keren door het Waarborgfonds om is verzocht. Ook zijn er rapporten opgemaakt door [naam 3] en [naam 4] . Die rapporten zijn onduidelijk, en bevatten innerlijke tegenstrijdigheden, aldus het Waarborgfonds. 3.3. [geopposeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt de vorderingen van Het Waarborgfonds af te wijzen en het verstekvonnis in stand te laten, met veroordeling van Het Waarborgfonds in de kosten. Tevens verzoekt [geopposeerde] Het Waarborgfonds te veroordelen in de door de kantonrechter te bepalen hoogte van de waardevermindering. Op het verweer van [geopposeerde] zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het Waarborgfonds is tijdig in verzet gekomen van het verstekvonnis. 4.2. [geopposeerde] heeft gesteld dat de schade aan zijn auto bij stilstand zou zijn ontstaan door een ander onbekend gebleven voertuig. Partijen verschillen echter van mening over de toedracht van het schade voorval en over aard en omvang van de schade aan de auto van [geopposeerde] . 4.3. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van zowel het voorval als aard en omvang van de schade op [geopposeerd