Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:22353
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Verzet
1,590 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2422 V2
uitspraak van de enkelvoudige kamer waarmee de uitspraak van 16 november 2023 komt te vervallen en (opnieuw) op het verzet wordt beslist
[opposanten], opposanten,
V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer],
(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper).
Procesverloop
Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op de aanvraag van 14 juni 2022 om een machtiging tot voorlopig verblijf.
Bij uitspraak van 6 maart 2023 (NL23.2422) heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Bij uitspraak van 16 november 2023 (NL23.2422 V) heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.
Overwegingen
Over het vervallen verklaren van de uitspraak van 16 november 2023
1. In de uitspraak van 16 november 2023 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 6 geoordeeld dat het verzet gegrond is. Vervolgens heeft zij overwogen dat nader onderzoek niet nodig is gelet op wat in rechtsoverweging 4 is overwogen. Wel heeft de rechtbank verweerder opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden.
2. Daarmee heeft de rechtbank, in ieder geval gedeeltelijk, op het beroep beslist. De daarvoor vereiste omstandigheid vermeld in artikel 8:55, tiende lid, aanhef en onder b, van de Awb, deed zich in dit geval echter niet voor.
3. De rechtbank is van oordeel dat dit geen situatie is die met een hersteluitspraak kan worden gerepareerd omdat van een kennelijke verschrijving geen sprake is. Omdat dit ook niet kan worden ondervangen door het instellen van enig rechtsmiddel, ziet de rechtbank aanleiding de uitspraak van 16 november 2023 vervallen te verklaren. Dat betekent dat de procedure weer teruggaat naar de situatie zoals die bestond voordat de rechtbank op het verzet van opposanten besliste. De rechtbank zal nu op dat verzet beslissen.
Over het verzet
4. Opposanten hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat opposanten geen beroepsgronden in het beroepschrift hebben vermeld.
6. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de bestreden uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
7. Opposanten voeren tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat in het beroepschrift de gronden van het beroep gemeld zijn door in het DPC-formulier ‘nee’ aan te kruisen. Het aankruisen van ‘nee’ impliceert volgens het formulier dat het gaat om een niet tijdig genomen besluit. Dit is een duidelijke grond, aldus opposant.
8. De verzetrechter stelt allereerst vast dat opposanten na de bestreden uitspraak opnieuw beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op de mvv-aanvraag. Op 13 april 2023 heeft verweerder beslist op de aanvraag. Hierop hebben opposanten hun nieuwe beroep ingetrokken met een verzoek om vergoeding van de proceskosten. Bij uitspraak van 15 mei 2023 heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen. Opposanten hebben desgevraagd aangegeven dat het (proces)belang van dit verzet uitsluitend nog is gelegen in de teruggave van het in de eerste beroepsprocedure geheven griffierecht. De verzetrechter acht dit een voldoende procesbelang.
9. De verzetrechter is van oordeel dat opposanten terecht betogen dat sprake is van een
beroepsgrond. In het beroepschrift van 25 januari 2023 is bij de vraag of er een besluit is genomen vermeld dat dit niet het geval is. De verzetrechter vindt dat hiermee voldoende duidelijk is dat het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en ziet dit als toereikend om als beroepsgrond te kwalificeren. Dit betekent dat de rechtbank in de bestreden uitspraak ten onrechte buiten zitting heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was.
10. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 6 maart 2023 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 6 maart 2023 werd gedaan. Omdat de situatie die wordt genoemd in artikel 8:55, tiende lid, aanhef en onder b, van de Awb zich niet voordoet, kan niet meteen op het beroep worden beslist. Gelet op wat in rechtsoverweging 8 is overwogen, zal aan partijen worden gevraagd of zij akkoord gaan met sluiting van het onderzoek in het beroep zonder nadere zitting.
11. Omdat het verzet gegrond wordt verklaard, zal de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die opposanten hebben gemaakt. Om die vergoeding vast te stellen maakt de rechtbank gebruik van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding bedraagt in dit geval € 209,25 (0,5 punt voor het verzetschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5 vanwege de relatieve eenvoud van het geschil en de daarmee samenhangende geringe werkbelasting.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de uitspraak van 16 november 2023 met nummer NL23.2422 V vervallen;
verklaart het verzet gegrond;
veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot betaling van € 209,25 aan proceskosten aan opposanten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR2963.