Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:22347
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,215 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2070
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
(gemachtigde: mr. Y. Pieters).
Inleiding
1. In deze procedure beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser.
1.1.
Eiser heeft verzocht om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Verweerder heeft lange tijd geen beslissing genomen. Tegen het niet nemen van een beslissing heeft eiser aanvankelijk beroep ingesteld. Dat eerdere beroep is ingetrokken nadat op 4 oktober 2022 alsnog op het verzoek werd beslist (“het primaire besluit”).
1.2
Op 11 november 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 6 januari 2023 (“het bestreden besluit”). Daartegen is beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Op 15 februari 2023 is het beroep verwezen naar de rechtbank Den Haag.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming op 25 februari 2022 een verzoek bij verweerder ingediend, tot uitsluitsel over de verwerking van persoonsgegevens, inzage in persoonsgegevens en informatie over de voorwaarden en wijze van verwerking. Wegens het uitblijven van een beslissing, is verweerder op 29 maart 2022 in gebreke gesteld. Op 2 juni 2022 heeft eiser een herinnering met een verzoek om een dwangsombeschikking aan verweerder gestuurd.
3. Een medewerker van verweerder mailt op 29 augustus 2022 aan eiser dat er geen lopende aanvraag is. Per mail van 31 augustus 2022 heeft eiser op het verzoek van 25 februari 2022 gewezen. Op 1 oktober 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet nemen van een beslissing op het verzoek. Bij het primaire besluit van 4 oktober 2022 is alsnog beslist. De beslissing houdt in dat geen persoonsgegevens van eiser worden verwerkt. Volgens verweerder zou dat al op 3 en 31 maart 2022 aan eiser zijn medegedeeld, voordat de termijn van de ingebrekestelling was verstreken. Volgens verweerder kon dus ook geen dwangsom zijn verbeurd.
4. Eiser heeft op 11 november 2022 een bezwaarschrift aan verweerder gemaild. De bezwaargronden zijn volledig gericht tegen de weigering tot toekenning van een dwangsom. Verweerder stuurt het bezwaarschrift door naar de rechtbank en deelt op 23 november 2022 aan eiser mede dat het bezwaar niet kan worden behandeld, omdat het beroep niet is ingetrokken. Eiser trekt vervolgens op 24 november 2022 het beroep in.
5. Bij brief van 8 december 2022 deelt verweerder mee dat de bezwaartermijn al op 29 augustus 2022 is aangevangen, zodat de bezwaartermijn op 11 november was verstreken. Daarbij benoemt verweerder dat de overschrijding mogelijk verschoonbaar is. Verder noteert verweerder dat het bezwaar schriftelijk per post had moeten worden ingediend en geeft eiser de mogelijkheid dat binnen twee weken alsnog te doen. Daarbij wordt aangeven dat een uitblijven van tijdig herstel zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid. Eiser en verweerder corresponderen vervolgens per mail over hun verschil van inzicht over de aanvang van de bezwaartermijn.
Op 6 januari 2023 volgt het bestreden besluit. Verweerder verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat het elektronisch is ingediend en geen gebruik is gemaakt van de geboden mogelijkheid tot herstel van dit gebrek. Hiertegen komt eiser op 15 februari 2023 in beroep.
Wat vinden partijen in beroep?
6. Eiser stelt het bezwaar alsnog op 20 december 2022 per post te hebben ingediend. Verweerder maakt in latere correspondentie volgens eiser de indruk dit stuk per post te hebben ontvangen, zoals in de mail van 22 december 2022. Dat het bezwaar aanvankelijk niet schriftelijk was ingediend, is eiser niet te verwijten, omdat de aanvraag en de daarop betrekking hebbende correspondentie per mail verliepen. Verder vindt eiser het opmerkelijk dat de ontvangst van het bezwaar op 14 november 2022 per mail is bevestigd, terwijl verweerder per mail aangeeft dat het bezwaar niet elektronisch mag worden ingediend. Verder is het volgens eiser mogelijk om digitaal bezwaar te maken, tenzij anders is aangegeven.
Beoordeling
7. De rechtbank stelt voorop, dat een bezwaarschrift elektronisch kan worden ingediend voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Onjuist is dus de opvatting van eiser, dat deze weg open is tenzij het bestuursorgaan anders heeft bepaald.
8. Verweerder heeft de mogelijkheid van elektronisch bezwaar tegen beslissingen omtrent de verwerking van persoonsgegevens niet opengesteld. In het op de website van verweerder gepubliceerde privacybeleid is ook uitdrukkelijk aangegeven dat bezwaar schriftelijk moet worden ingediend. De relevante passage uit dat privacybeleid luidde op het moment waarop eiser bezwaar maakte als volgt:
“(…) Wat kunt u doen als u het niet eens bent met onze reactie?
Onze reactie op uw verzoek is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat u hiertegen in bezwaar en beroep kunt gaan. Een bezwaarschrift moet altijd met redenen omkleed zijn. U kunt een bezwaar schriftelijk indienen bij het Afdelingshoofd Behandel en Bezwaar. Deze neemt binnen vier weken een beslissing op uw bezwaar. Indien u het hier ook niet mee eens bent, kunt u een beroepschrift indienen bij de bestuursrechter. (…)”
Niet is vermeld dat het bezwaar tegen een besluit omtrent de verwerking van persoonsgegevens ook elektronisch kan worden ingediend.
Het bezwaarschrift had dus schriftelijk moeten worden ingediend. Verweerder heeft het elektronisch ingediende bezwaarschrift dan ook terecht geweigerd.
9. Aan eiser is de mogelijkheid geboden tot herstel. Er is geen bewijs dat eiser van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Niet blijkt dat op 20 december 2022 alsnog een schriftelijk stuk is toegezonden. De rechtbank concludeert daarom dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid tot herstel van het gebrek. Dat tussen eiser en verweerder veelvuldig per mail is gecorrespondeerd, brengt nog niet mee dat de weg voor bezwaar via de elektronische weg was opengesteld. Uit de correspondentie met verweerder blijkt ook geen bevestiging van de ontvangst van een poststuk. Het bezwaarschrift is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.
10. Ten overvloede constateert de rechtbank, dat de bezwaartermijn op 5 oktober 2022 was aangevangen en niet, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gemeend, op 29 augustus 2022. In zoverre is de motivering gebrekkig. Omdat het bezwaar op een andere grondslag terecht niet-ontvankelijk is verklaard, kan het bestreden besluit in stand blijven.
11. Omdat niet tijdig een rechtsmiddel is aangewend tegen het bestreden besluit, waaronder de daarbij gegeven weigering tot toekenning van een dwangsom, komt de rechtbank ook niet toe aan vaststelling van een dwangsom.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Verweerder is geen dwangsom verschuldigd. Voor een proceskostenvergoeding is ook geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.