Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:22086
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,407 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4412
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: R. Hilgersom)
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigden: mr. J.J. Grasmeijer en [naam] ).
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-2) vastgesteld op € 0,- en
het volgens verweerder teveel betaalde voorschot ten bedrage van € 67.552,- van eiseres teruggevorderd.
Bij besluit van 6 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2023. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Verweerder heeft op 3 oktober 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij het omzetverliespercentage op 26% is vastgesteld en de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-2 is vastgesteld op € 27.444,-.
Eiseres heeft vervolgens op 19 oktober 2023 het beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Overwegingen
1. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Awb op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb veroordelen in de proceskosten.
2. Ter zitting hebben partijne afgesproken dat verweerder bekijkt of toepassing van artikel 7, eerste lid, van de NOW-2 aan de orde kan zijn. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de NOW-2 kan, in afwijking van artikel 6, zevende lid, aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, en die daar bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie om verzoekt, subsidie kan worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan.
3. Met de gewijzigde beslissing op het bezwaar van 3 oktober 2023 is verweerder volledig aan eiseres tegemoet gekomen.
4. Verweerder heeft in het besluit van 3 oktober 2023 een meegedeeld akkoord te zijn met het betalen van het griffierecht voor de beroepsfase.
5. Eiseres heeft om vergoeding van proceskosten van € 1.862,77 verzocht. Ter onderbouwing heeft eiseres drie nota’s van KHN Advocaten & Juristen en één nota van Van As Advocaten overgelegd. Bij brief van 30 oktober 2023 heeft verweerder gevraagd om de proceskosten nader te specificeren, omdat de geclaimde kosten niet geplaatst kunnen worden in het licht van de verrichte proceshandelingen. De rechtbank heeft daarom bij brief van 2 november 2023 eiseres verzocht om binnen twee weken te reageren op de brief van 30 oktober 2023. Eiseres heeft haar verzoek om proceskosten niet nader toegelicht.
6. De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres overgelegde nota’s enkel blijkt dat zij nota’s van juridisch adviseurs heeft ontvangen. Uit die nota’s blijkt echter niet dat de betreffende juristen proceshandelingen hebben verricht ten behoeve van de nu voorliggende procedure bij de rechtbank. Het Besluit proceskosten bestuursrecht ziet alleen op een vergoeding van kosten van door een derde in een procedure beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De gemachtigde van eiseres, tevens directeur/eigenaar van de vernnootschap Het [eiseres] B.V., heeft in deze procedure feitelijk zelf geprocedeerd namens zijn vennootschap. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en heeft eiseres dus geen recht op een (proces)kostenvergoeding hiervoor. Het verzoek zal dus worden afgewezen.
7. Er is aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af;
bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 365,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.