Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:22053
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,252 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.34092
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).
Procesverloop
1. Bij besluit van 27 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Verweerder heeft de rechtbank schriftelijk bericht toestemming te geven de zaak buiten zitting af te doen. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank telefonisch bericht daarvoor eveneens toestemming te geven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Overwegingen
5. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
6. De rechtbank beantwoordt allereerst de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Uit het dossier volgt dat eiser volgens meldingen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COA) op 8 november 2023 met onbekende bestemming is vertrokken.
7. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland.1 Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij
contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijsstelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
8. Op 24 november 2023 heeft verweerder per brief medegedeeld dat eiser volgens meldingen van het COA met onbekende bestemming is vertrokken. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder een schermafdruk van zijn Indigosysteem overgelegd. Bij brief van 1 december 2023 heeft de gemachtigde van eiser onder meer laten weten dat zij niet kan bevestigen dat eiser Nederland zou hebben verlaten, maar dat zij ook niet op de hoogte is van het verblijfadres van eiser en dat zij momenteel geen contact met eiser heeft. Ten aanzien van het procesbelang refereert de gemachtigde van eiser zich aan het oordeel van deze rechtbank.
9. De rechtbank is van oordeel dat is gebleken dat eiser sinds 8 november 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder noch eisers gemachtigde weet waar hij verblijft en of eiser nog in Nederland is. Daarnaast blijkt uit het bericht van eisers gemachtigde dat eiser niet heeft gereageerd op haar (WhatsApp)verzoeken om contact.
10. In lijn met de vaste rechtspraak over dit onderwerp neemt de rechtbank in dit geval aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming hier in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing als kennelijk ongegrond van zijn asielaanvraag.
11. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Hak, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 december 2023
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.