Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:21792
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,463 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5666
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 oktober 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. D.E. van der Wiel),
en
burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: J.J. Markerink en S. Buvelot)
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 28 augustus 2023 heeft verweerder het pand aan de [adres 1] in Den Haag voor de duur van 6 maanden gesloten.
1.2.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 7 april 2021 heeft er een integrale controle plaatsgevonden in tuincentrum [bedrijfsnaam] aan de [adres 2] in Den Haag. Verzoeker was ondernemer van dit tuincentrum. Bij deze controle zijn goederen aangetroffen die gebruikt worden in de grootschalige hennepteelt. Verweerder heeft vervolgens op grond van de Opiumwet het pand voor 6 maanden gesloten. Verzoeker, die hij pand huurde, heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend.
2.1.
In mei 2022 bleek uit politie informatie dat verzoeker een growshop onder de naam [bedrijfsnaam] exploiteerde aan de [adres 1] in Den Haag. Op 14 juni 2023 heeft de politie een controle uitgevoerd in dit pand waarbij is geconstateerd dat er goederen te koop werden aangeboden die bestemd zijn voor de grootschalige/professionele hennepteelt. Deze goederen vallen onder de Opiumwet. Dit is voor verweerder aanleiding geweest om over te gaan tot tijdelijke sluiting van het pand met ingang van 4 september 2023 om 14:15 voor de duur van 6 maanden.
Wat vindt verzoeker?
3. Kort samengevat stelt hij zich op het standpunt dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van de Opiumwet. Hij heeft een bedrijf in de tuinartikelen en detailhandel. Hij verkoopt alleen legale producten zoals aarde, onkruidverdelgingsmiddelen en sprays tegen plantenziekten. Het pand staat in de omgeving ook niet bekend als drugspand en er zijn geen overlastmeldingen gedaan. De aangetroffen henneptoppen lagen in het bureau van hemzelf. Deze zijn voor medicinaal gebruik.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Beoordeling
Bevoegdheid
5. De voorzieningenrechter merkt het volgende op. Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als er een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 11a voorhanden is. voor dit soort stoffen en voorwerpen is bepaalt dat hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
5.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikelen 11a en 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet volgt dat de aangetroffen situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Om bevoegd te zijn om op deze grond op te treden is het niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Voldoende is dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.
5.2.
Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat er in het bedrijfspand van verzoeker meerdere voorwerpen zijn aangetroffen waaronder grote hoeveelheden plantenvoeding, bestelcatalogi, facturen, prijslijsten van leveranciers van hennepzaden, henneptoppen en overige benodigdheden.
5.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aangetroffen goederen gezamenlijk geschikt zijn voor de professionele hennepteelt. Daarbij wordt voornamelijk van belang geacht dat er grote hoeveelheden plantenvoeding dan wel groeimiddelen zijn aangetroffen in het bedrijfspand. Uit de stukken blijkt dat van de merken hiervan bekend is dat zij gebruikt worden voor de professionele hennepteelt. Gezien de aangetroffen hoeveelheden van de groeimiddelen, potgrond, bestelcatalogi van merken bekend in de professionele hennepteelt en de overige aangetroffen goederen is aannemelijk dat deze ten behoeve van grootschalige hennepteelt aanwezig waren. Verzoeker heeft hiervoor geen andere aannemelijke verklaring gegeven. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat er helemaal geen goederen zijn aangetroffen die gebruikelijk zijn voor een tuincentrum. Verweerder was dan ook bevoegd om het pand te sluiten.
Noodzakelijkheid
6. De hoogste bestuursrechter heeft bepaald dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde.
6.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de sluiting redelijkerwijs noodzakelijk heeft kunnen achten. Het gaat om een ernstige overtreding waarbij een grote hoeveelheid goederen geschikt voor de grootschalige hennepteelt in het pand is aangetroffen. Hierbij weegt mee dat in 2021 in een pand aan de [adres 2] , waar verzoeker een tuincentrum exploiteerde, ook ahennep gerelateerde goederen zijn aangetroffen. Dit pand is ook gesloten, verzoeker is destijds al gewezen op de Opiumwet. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat er meerdere mensen bij het pand zijn gesignaleerd met een hennep gerelateerd verleden en heeft een voorbijganger aan de politie verklaard dat er een growshop is gevestigd. Gezien de kwetsbaarheid van de wijk kon verweerder een sluiting van het pand ter bescherming van het woon- en leefklimaat van de buurt noodzakelijk achten.
Evenwichtigheid
7. Wat betreft de evenwichtigheid van de maatregel is onder meer de verwijtbaarheid van de betrokkene van belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uitgegaan worden van de verwijtbaarheid van verzoeker. Hij is meerdere keren gewezen op de Opiumwet en kende ook de gevolgen van de overtreding. Toch zijn er zelfs na de controle van 14 juni 2023 op 28 juli 2023 weer bij 5.3 genoemde producten aangetroffen in het pand. Dit alles bij elkaar genomen maakt naar oordeel van de voorzieningenrechter dat de sluiting evenredig is. Het standpunt dat verzoeker door sluiting in financiële problemen raakt, heeft verzoeker niet dan wel onvoldoende onderbouwd.
8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaar van verzoeker waarschijnlijk niet leiden tot een ander besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt daarom afgewezen.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 11a Opiumwet.
Artikel 13b Opiumwet.
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3378 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/) (de Afdeling).
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1251.