Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:21717
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,347 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1914
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 december 2023 in de zaak tussen
[eiser 1],
[eiser 2]
,
[eiser 3]
,
[eiser 4]
,
[eiser 5]
,
[eiser 6]
,
[eiser 7]
,
[eiser 8], uit Afghanistan, eisers
(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en
de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 7 maart 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 februari 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een telefonische verbinding), zijn gemachtigde, de heer [naam] (tolk) en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 29 december 2021 heeft eiser [eiser 1] verzocht om hem en zijn gezinsleden over te brengen naar Nederland. Hij stelt tussen 2007 en 2010 te hebben gewerkt als bewaker van de Afghan Security Guard (hierna: ASG-bewaker) voor de Nederlandse strijdmacht in Tarin Kowt (Uruzgan). Eiser beroept zich op de Tolkenregeling omdat hij een ‘hoog profiel’ functie had.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hij verwijst daarbij onder meer naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 14 september 2022. Voorts wijst eiser erop dat in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 ook bewakers worden genoemd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om onderscheid te maken tussen deze groepen. Verder geeft eiser aan dat hij zichtbaar was tijdens zijn werkzaamheden en dat hij daardoor gevaar loopt. Deze omstandigheden dienen ook te worden meegewogen in het kader van het evenredigheidsbeginsel. Daarbij doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat collega’s van hem wel naar Nederland zijn overgebracht. Tot slot wijst eiser erop dat hij ten onrechte niet is gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In eerdere uitspraken heeft deze rechtbank zich al uitgesproken over de vraag of een beslissing op grond van de Tolkenregeling een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarbij is overwogen dat de Tolkenregeling geen wettelijke grondslag heeft en een beslissing op grond daarvan evenmin een bijzonder geval betreft in het kader van een aan een bestuursorgaan toegekende publieke taak die niet op een specifieke bevoegdheidstoekennende publiekrechtelijke grondslag berust. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Dit betekent dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijkheid heeft verklaard. De door eiser aangevoerde overige gronden kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven dan ook geen bespreking.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft geen griffierecht betaald. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592.
Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860.
Zie onder meer de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11495 en van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12326.