Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-21
ECLI:NL:RBDHA:2023:21714
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,778 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5153
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. T.R.T. Konings).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 25 januari 2022 genomen. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Aan de zijde van eiser hebben deelgenomen: eiser en zijn zoon. Aan de zijde van verweerder hebben deelgenomen: zijn gemachtigde, ondersteund door mr. [naam].
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning) en verhuurt deze. In het kader van een handhavingsactie is bij een inspectie op 15 juli 2021 door een inspecteur van de Haagse Pandbrigade (hierna: de inspecteur) geconstateerd dat eiser zonder omzettingsvergunning een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten voor vijf personen heeft omgezet en daarmee de wet heeft overtreden. Verweerder heeft eiser op 21 september 2021 opgedragen deze overtreding voor 8 november 2021 te beëindigen, anders zou er een dwangsom van € 5.000,- verbeuren. Op 8 november 2021 is een hercontrole uitgevoerd en is geconstateerd dat in de woning drie personen woonden en de overtreding daarom niet was opgeheven. Op 25 januari 2022 heeft verweerder besloten om de verbeurde dwangsom van € 5.000,- in te vorderen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser kan zich met de invorderingsbeschikking niet verenigen. Zo stelt hij dat de inspecteur bij de hercontrole niet de moeite heeft genomen om de woning daadwerkelijk te controleren. Verder heeft hij nadrukkelijk aangegeven dat een aantal van zijn huurders op zoek waren naar een nieuwe woning, maar dat hiervoor meer tijd nodig was. Desondanks heeft verweerder geen uitstel verleend om de overtreding ongedaan te maken. Voorts stelt eiser dat zijn huurders al voor de nieuwe regelgeving van 1 juni 2021 op het adres van de woning stonden ingeschreven en dat daarom in dit geval op grond van het overgangsrecht kamerverhuur voor maximaal drie personen is toegestaan. Dit is door verweerder in de concept-beschikking van de last onder dwangsom ook gecommuniceerd. Tot slot wijst eiser erop dat hij met de huurders een duurzaam gemeenschappelijke huishouding vormt en er daarom geen omzettingsvergunning nodig is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De hoogste bestuursrechter heeft bepaald dat aan het belang van invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een belanghebbende kan dan ook in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten tot invordering van de opgelegde last onder dwangsom van 21 september 2021. Verweerder wordt gevolgd in zijn stelling dat eiser zijn gronden over het overgangsrecht, de onjuiste informatie in de concept-dwangsom, het niet verlenen van verder uitstel om de overtreding ongedaan te maken en het vormen van een duurzaam gemeenschappelijke huishouden had kunnen indienen tegen het aanvankelijke besluit tot oplegging van de last onder dwangsom. Tegen de achtergrond van de genoemde jurisprudentie uit de voorgaande rechtsoverweging kunnen die gronden in dit stadium dan ook niet leiden tot de conclusie dat verweerder de dwangsom niet zou mogen invorderen.
7. Verder blijkt uit het inspectierapport van de hercontrole van 8 november 2021 dat de inspecteur de conclusie dat de overtreding niet was opgeheven heeft gebaseerd op de op dat moment geldende inschrijvingen in het BRP en de verklaring van eiser zelf. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter blijkt dat het bestuursorgaan en de rechter in beginsel mogen uitgaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt rapportage, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De enkele stelling van eiser dat de inspecteur bij de hercontrole niet de moeite heeft genomen om de woning daadwerkelijk te controleren is daartoe onvoldoende. Dit geldt te meer nu de inspecteur de woning bij de aanvankelijke controle al had doorlopen. In het licht van het voorgaande kon verweerder dan ook volstaan met de inschrijvingen in het BRP en de verklaring van eiser zelf.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 21, eerste lid, onder sub c van de Huisvestingswet 2014 (hierna: de Huisvestingswet), gelezen in samenhang met artikel 5:1, eerste lid, en 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (hierna: de Huisvestingsverordening).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2019:333.