Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-05
ECLI:NL:RBDHA:2023:21641
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,822 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.24018 (beroep) en NL23.24019 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres/verzoekster], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Eiseres heeft op 21 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 augustus 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, H.C. de Man als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres stelt van Congolese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1987. Eiseres heeft – samengevat weergegeven – het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. In 2013 ontmoette zij [naam] tijdens haar werk als verpleegkundige in de DRC. Hij heeft haar gevraagd mee te werken aan orgaanhandel. Zij heeft dit tweemaal geweigerd, waarna zij telefonisch is bedreigd door [naam] en hij haar huis is binnengevallen. Nadat eiseres naar Angola is gevlucht, trof zij [naam] daar in 2017 en bedreigde hij haar opnieuw. Vervolgens is haar woning geplunderd, waarna zij is verhuisd. In 2020 zag zij [naam] wederom enkele keren in de stad rondrijden, waarna haar huis opnieuw is geplunderd. Dit heeft haar doen besluiten uit Angola te vertrekken.
3. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiseres als relevant gekwalificeerd:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met [naam] in verband met orgaanhandel.
De identiteit, nationaliteit en herkomst acht verweerder deels geloofwaardig. Omdat eiseres eerder een Duits visum heeft aangevraagd met een Angolees paspoort gaat verweerder uit van de Angolese nationaliteit. Volgens verweerder heeft eiseres niet aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn en heeft zij evenmin aangetoond de Congolese nationaliteit te hebben. De gestelde problemen met [naam] in verband met orgaanhandel vindt verweerder niet geloofwaardig. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres verweerder heeft misleid over haar identiteit en nationaliteit, doordat ze met een valse Franse identiteitskaart Nederland heeft geprobeerd in te reizen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat er een onzorgvuldig onderzoek naar de geloofwaardigheid van haar asielrelaas heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Zij wijst erop dat zij tijdens het nader gehoor is afgekapt en is verzocht beknopter te verklaren. Verweerder mocht haar daarom niet tegenwerpen dat zij niet gedetailleerd genoeg zou hebben verklaard. Daarnaast heeft zij haar Congolese nationaliteit genoegzaam aangetoond met de overgelegde kopie documenten, haar verklaringen en het feit dat zij de Franse taal spreekt, wat de voertaal is in de DRC. Dat zij geen aangifte heeft overgelegd komt omdat zij die niet heeft gekregen, wat overeenkomt met de landeninformatie over de DRC. Tot slot is in het terugkeerbesluit ten onrechte opgenomen dat zij dient terug te keren naar Angola, nu zij niet de Angolese nationaliteit bezit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Onzorgvuldige beoordeling
5. Naar het oordeel van de rechtbank is van onzorgvuldig handelen van verweerder tijdens het nader gehoor niet gebleken. Zoals verweerder op zitting naar voren heeft gebracht, mag een gehoormedewerker de tijd bewaken tijdens een gehoor. Op pagina 3 van de bestreden beschikking heeft verweerder uiteengezet op welke momenten eiseres tijdens het gehoor is verzocht niet uit te weiden. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld te verklaren over wat relevant was voor de vraagstelling. Ten slotte heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat het asielrelaas niet zozeer ongeloofwaardig is bevonden omdat eiseres niet uitgebreid genoeg zou hebben verklaard, maar omdat haar verklaringen niet plausibel zijn. Dat eiseres in haar belangen is geschaad, volgt de rechtbank dan ook niet.
Nationaliteit
6. Niet in geschil is dat eiseres bij haar aanvraag voor een visum in Duitsland een Angolees paspoort heeft overgelegd. Gelet op de vereisten voor een visumaanvraag, waaronder het overleggen van een authentiek paspoort, een foto en het afstaan van vingerafdrukken, mag verweerder in beginsel uitgaan van de gegevens zoals die zijn geregistreerd in EU-Vis. Het ligt daarom op de weg van eiseres om te onderbouwen dat deze registratie niet juist is.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiseres dit niet aannemelijk heeft gemaakt en heeft verweerder daarom mogen uitgaan van de Angolese nationaliteit. Hoewel eiseres stelt dat zij het Angolese paspoort op illegale wijze heeft verkregen, heeft zij dit niet met stukken onderbouwd. In de door eiseres in beroep overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 11 september 2023 staat onder meer dat het relatief makkelijk is om in Angola een identiteitsbewijs te verkrijgen op basis van valse of zwakke brondocumenten. Hiermee heeft eiseres echter nog niet aangetoond dat zij haar Angolese paspoort op illegale wijze heeft verkregen. Daarbij heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiseres met dit Angolese paspoort een Duits visum heeft kunnen aanvragen en er op legale wijze Angola mee is uitgereisd. Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres geen originele identificerende documenten heeft overgelegd. De kopieën die zij heeft overgelegd kunnen niet op echtheid worden getoetst. Diploma’s, certificaten en een kiezerspas zeggen niets over de nationaliteit van eiseres.
6.2.
Eiseres heeft in beroep gesteld dat zij, naast het eerder overgelegde kopie, ook beschikt over een originele geboorteakte. Verweerder heeft ter zitting gesteld geen aanleiding te zien de authenticiteit van deze geboorteakte nader te onderzoeken. De samenwerkingsplicht uit artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn strekt niet zo ver dat verweerder altijd een overgelegd document op authenticiteit dient te onderzoeken. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de geboorteakte geen identificerend document is. Dat hierop staat dat eiseres is geboren in Kinshasa zou misschien iets zeggen over haar herkomst, maar niet over haar nationaliteit. Ook als wordt uitgegaan van de authenticiteit van de geboorteakte, is namelijk nog altijd niet uitgesloten dat eiseres niet (ook) de Angolese nationaliteit bezit.
6.3.
Dat eiseres de Franse taal spreekt en dit de voertaal is in de DRC, heeft verweerder in het licht van het voorgaande onvoldoende kunnen vinden om niet langer van de Angolese nationaliteit uit te mogen gaan. Voor het aanbieden van een taalanalyse aan eiseres heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien.
Problemen met [naam] in verband met orgaanhandel
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de gestelde problemen met [naam] in verband met orgaanhandel niet ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat de gestelde handelswijze van [naam], mede gelet op de moeite die hiermee gepaard ging en de risico’s die dit voor hem meebracht, niet aannemelijk is.
7.1.
Zo is bevreemdend dat [naam] eiseres kort na de eerste ontmoeting al gevraagd zou hebben zich aan te sluiten bij een organisatie voor orgaanhandel. Immers, [naam] was onder behandeling bij het ziekenhuis, zodat voor hem het risico bestond dat eiseres aangifte tegen hem zou doen. Dat dit wel logisch zou zijn omdat voor orgaanhandel medische professionals nodig zijn en [naam] tijdens zijn eigen medische behandeling juist de kans had contact te leggen met een waardevolle medische professional, heeft verweerder dan ook niet hoeven volgen. Verder heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat bevreemdend is dat [naam] eiseres pas drie á vier maanden na de eerste telefonische bedreiging in haar woning zou hebben opgezocht, terwijl hij al die tijd wist waar ze werkte. Ook heeft verweerder niet aannemelijk kunnen achten dat [naam] eiseres vervolgens pas drie jaar later vanuit de DRC naar Angola zou hebben gevolgd.
Conclusie
10. Verweerder heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Democratische Republiek Congo.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661.
Uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1326.
Nader gehoor, pagina 29 en 36.
Zie paragraaf C2/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.