Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:21638
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,719 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6840
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H.S. Huisman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Bij het besluit van 19 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) ontving per 21 januari 2020 beëindigd.
Bij het besluit van 9 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2021 door middel van een videoverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar vorige gemachtigde, mr. W.A. Timmer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is op de zitting gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend en bepaald dat het vooronderzoek wordt voortgezet. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) over te leggen. De rechtbank heeft op 15 februari 2022 van verweerder de reactie van de verzekeringsarts b&b ontvangen. De reactie van eiseres daarop is op 22 maart 2022 ontvangen.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om verzekeringsarts I.A.K. Snels (hierna: de deskundige) als deskundige te benoemen. De deskundige heeft op 9 november 2022 een rapport uitgebracht. Verweerder heeft op 7 december 2022 en eiseres heeft op 27 december 2022 op het rapport gereageerd.
Nadat geen van partijen te kennen had gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Wat ging er vooraf aan deze procedure
1.1
Eiseres was laatstelijk tot 16 juli 2018 werkzaam als groepshulp kinderopvang voor gemiddeld 22,07 uur per week. Per 20 november 2018 heeft eiseres zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld bij verweerder, waarna aan haar een ZW-uitkering is toegekend.
1.2
Verweerder heeft in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling vastgesteld dat eiseres per 19 november 2019 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij ontving voordat zij ziek werd. Hierop is het primaire besluit genomen.
1.3
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres in staat is meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Aan dit besluit heeft verweerder de rapporten van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b ten grondslag gelegd.
Medische beoordeling
2.1
Eiseres voert aan dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts b&b is aangenomen en dat een deugdelijke motivering ontbreekt bij de beperkingen. Eiseres acht zich niet in staat om 150 keer per uur te buigen of frequent lichte voorwerpen te hanteren. Ook acht eiseres zich meer beperkt ten aanzien van het bewegen van de nek, lopen, traplopen, vasthouden van de aandacht, herinneren, omgaan met conflicten, werken met patiënten of hulpbehoevenden en boven schouderhoogte werken en stelt zij dat zij is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Eiseres moet in een functie het lopen, staan en zitten kunnen afwisselen. Volgens eiseres zou verder een urenbeperking moeten worden aangenomen.
2.2
De rechtbank heeft aanleiding gezien om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen. De deskundige stelt in haar rapport vast dat uit de ontvangen informatie blijkt dat bij eiseres al vele jaren diverse klachten bestaan, met name rug-, nek-, hoofdpijn-, buikpijn-, overgangsklachten en obstipatie. Wat betreft de rugklachten zijn op de MRI’s van de wervelkolom weliswaar degeneratieve afwijkingen gezien zowel aan nek als aan de onderrug, maar deze kunnen niet alle door eiseres ervaren klachten verklaren. Bovendien zijn ze van na datum in geding. De moeilijkheid bij dergelijke afwijkingen op foto’s en scans is dat deze niet één op één te vertalen zijn naar ervaren klachten. Wel blijkt uit de beschikbare informatie dat eiseres al vele jaren rug- en nekklachten ervaart en daarvoor herhaaldelijk behandeld is. Dit maakt dat de deskundige het aannemelijk acht dat eiseres beperkt is ten aanzien van zwaar rugbelastend werk. Dat wil zeggen dat zij beperkt is ten aanzien van trillingen, veel buigen, zwaar tillen/dragen en dat zij geregeld moet kunnen wisselen van houding. Dat is gegeven de beperkingen op de FML van 29 juli 2020 voldoende mogelijk. Haar buikklachten en obstipatie geven geen aanleiding om de fysieke zwaarte van het werk verder te beperken. Er is volgens de deskundige een consistent beeld van psychische problematiek en spanningen. Deze spanningsklachten hebben ook duidelijk invloed op haar lichamelijke klachten. Daarom wordt eiseres terecht beperkt geacht ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Zij is immers aangewezen op mentaal weinig stresserend werk. De overgangsklachten zijn bij betrokkene langdurig en gelet op de ontvangen informatie in forse mate aanwezig. In de FML van 29 juli 2020 is daarmee voldoende rekening gehouden. Van geen benutbare mogelijkheden is volgens de deskundige geen sprake. Rekening houdend met de beperkingen van eiseres is ook geen arbeidsduurbeperking aan de orde. De deskundige komt tot de conclusie dat de verzekeringsarts b&b voldoende rekening heeft gehouden met het geobjectiveerde deel van de klachten van eiseres. De deskundige ziet geen aanleiding voor het aannemen van meer en/of zwaardere beperkingen dan in de FML van 29 juli 2020 zijn neergelegd.
2.3
Verweerder heeft in reactie op het rapport van de deskundige aangegeven zich te kunnen vinden in het oordeel van de deskundige. Verweerder acht het bestreden besluit juist.
2.4
Eiseres voert in reactie op het deskundigenrapport aan dat zij nog steeds meent dat zij meer beperkt is dan is aangenomen door verweerder en thans bevestigd door de deskundige. De deskundige acht het aannemelijk dat eiseres beperkt is ten aanzien van rugbelastend werk. Dezelfde redenen als de redenen om eiseres beperkt te achten voor rugbelastend werk, doen zich echter ook voor ten aanzien van de nek. Niet valt in te zien dat het maken van hoofdbewegingen of het gefixeerd houden van het hoofd, niet beperkt zou zijn. Volgens eiseres heeft de deskundige dit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Eiseres voert verder aan dat het onduidelijk is waarom de duizeligheid, welke de huisarts in zijn brief van 12 februari 2020 verklaart vanuit hormonale veranderingen in het lichaam van eiseres, geen beperking met zich meeneemt ten aanzien van het lopen van persoonlijk risico.
3.1
Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het oordeel van de door een bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige dient te worden gevolgd als de motivering van de deskundige overtuigend voorkomt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken. Het is namelijk bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een beslissend advies te geven.
3.2
De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft eiseres gesproken op 22 september 2022 en heeft de in het dossier aanwezige (ruime hoeveelheid) medische informatie van de behandelaars van eiseres en de door eiseres tijdens het gesprek overgelegde medische informatie bestudeerd. De medische informatie is afkomstig van de fysiotherapeut, neuroloog, psycholoog, chiropractor, psychosociaal therapeut, MDL-arts, huisarts, radioloog, cardioloog, internist, interventie-cardioloog en gynaecoloog. De deskundige heeft aandacht besteed aan alle door eiseres genoemde lichamelijke en psychische klachten. De rechtbank is niet gebleken dat de deskundige medische informatie heeft gemist of onvoldoende serieus heeft genomen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de deskundige haar conclusies inzichtelijk en consistent heeft gemotiveerd. De deskundige heeft overwogen dat op de MRI’s van de wervelkolom zowel aan de nek als aan de onderrug afwijkingen zijn gezien en dat uit de beschikbare informatie blijkt dat eiseres al vele jaren rug- en nekklachten ervaart waarvoor zij herhaaldelijk behandeld is. Uit de omstandigheid dat de deskundige vervolgens alleen heeft overwogen dat eiseres beperkt is ten aanzien van zwaar rugbelastend werk en daarbij niet een afzonderlijke overweging heeft gewijd aan de nekklachten van eiseres, leidt de rechtbank niet af dat de deskundige onvoldoende aandacht heeft besteed aan de nekklachten van eiseres. De deskundige heeft geconcludeerd dat in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen. De rechtbank leest in het rapport dat de deskundige daarbij rekening heeft gehouden met alle door haar bij eiseres vastgestelde als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen in de gezondheidstoestand, waaronder de nek- en rugklachten. Uit het rapport blijkt dat de deskundige ook rekening heeft gehouden met de overgangsklachten van eiseres, waarvan de deskundige heeft gezegd dat die in forse mate aanwezig zijn. Met die klachten is volgens de deskundige voldoende rekening gehouden in de FML.
3.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding de conclusie van de door haar geraadpleegde deskundige niet te volgen. Daaruit volgt dat het bestreden besluit berust op een juiste medische beoordeling.
Conclusie
5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 21 januari 2020 heeft beëindigd.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Overschrijding van de redelijke termijn
8.1
Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
8.2
Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden.
8.3
De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder, 30 december 2019. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn – naar boven afgerond – 48 maanden verstreken.
8.4
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak en in de opstelling van eiseres in deze procedure geen aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor het oordeel dat de lengte van deze procedure in bezwaar en beroep langer dan twee jaar had mogen bedragen. De redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is daarom – naar boven afgerond – met 24 maanden overschreden.
8.5
Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar komt de rechtbank tot een vergoeding van € 2.000,-. Dit bedrag zal naar evenredigheid worden toegerekend aan verweerder en de Staat. De behandeling door de rechtbank van het beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 8 oktober 2020 tot de uitspraak op 14 december 2023 afgerond naar boven 39 maanden geduurd. Dit is 21 maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Hieruit volgt dat een overschrijding van 3 maanden aan verweerder is toe te rekenen en 21 maanden aan de rechtbank. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,- (3/24 × € 2.000,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van € 1.750,- (21/24 × € 2.000,-).
8.6
Aanleiding bestaat om verweerder en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De Staat en verweerder dienen ieder € 209,25 aan proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 250,-;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 209,25;
veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.750,-;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 209,25.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2023
griffier
rechter
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3822.