Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-05
ECLI:NL:RBDHA:2023:21518
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,421 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.37012
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M. Lorier).
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 juli 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 oktober 2023 (in de zaak NL23.31799) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is op 5 juli 2023 in bewaring gesteld. Op 20 november 2023 is mededeling gedaan dat er op 16 november 2023 overleg met de ambassade is geweest, waaruit is gebleken dat eisers Marokkaanse nationaliteit is vastgesteld. Aan de nationaliteit van eiser werd echter geen moment getwijfeld. Met de vaststelling dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft, is verweerder na vier maanden niet verder gekomen dan hij op 5 juli 2023 was. Een vertrekgesprek ziet eiser niet anders dan een plichtmatig gebeuren van verweerder om verdere bewaring te legitimeren.
Het voortvarendheidsvereiste
5. De rechtbank overweegt het volgende. In beginsel werken de Marokkaanse autoriteiten mee aan de verstrekking van lp’s. Het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt nog. Op 16 november 2023 heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een laissez passer (lp) rechtstreeks onder de aandacht gebracht bij de Marokkaanse autoriteiten en daar is een reactie op gekomen. Verweerder rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten met betrekking tot deze aanvraag, laatstelijk op 22 november 2023. Dat het onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer niet gebleken is dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De rechtbank overweegt dat verweerder voor wat betreft de afgifte van een lp afhankelijk van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft verweerder op 13 oktober 2023 en op 17 november 2023 een vertrekgesprek gepland met eiser. Uit de verslagen van deze vertrekgesprekken blijkt dat eiser heeft geweigerd om in gesprek te gaan met verweerder. Op eiser rust echter de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Dat eiser vindt dat de vertrekgesprekken – samengevat – inhoudelijk geen toegevoegde waarde hebben, maakt het voorgaande niet anders. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 december 2023
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.