Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:21234
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,557 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.37002, NL23.39246 en NL23.39247
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 november 2023 niet in behandeling genomen omdat Denemarken ervoor verantwoordelijk is.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt dat zij in Denemarken geen asiel wilde aanvragen en dat zij, nadat zij gedwongen werd om vingerafdrukken af te staan, direct uit Denemarken is vertrokken. Door haar vertrek heeft ze haar asielaanvraag (impliciet) ingetrokken. Voorts miskent verweerder dat eiseres en haar partner gezinsleden zijn, gehuwd zijn en met elkaar hebben samengewoond. Ook willen ze weer samenwonen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit rechtspraak van het HvJEU en van de Afdeling volgt dat een vreemdeling bij aanwending van een rechtsmiddel tegen een door de verzoekende lidstaat genomen overdrachtsbesluit, in een terugnamesituatie geen beroep kan doen op de verantwoordelijkheidscriteria uit Hoofdstuk III van de Dublinverordening. Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering als een situatie als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening aan de orde is. Voor een beroep op artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening is vereist dat de vreemdeling haar asielaanvraag in de aangezochte lidstaat (impliciet) heeft ingetrokken voordat de procedure voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is afgerond.
5.1
Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er sprake is van een terugnameverzoek, zodat eiseres in beginsel geen beroep kan doen op de verantwoordelijkheidscriteria in Hoofdstuk III van de Dublinverordening, waaronder artikel 9. Denemarken heeft de verantwoordelijkheid immers geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Hierbij is van belang dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar asielaanvraag in Denemarken heeft ingetrokken voordat de procedure in Denemarken tot vaststelling van de, op grond van de Dublinverordening voor die aanvraag verantwoordelijke lidstaat was afgerond. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres tijdens het aanmeldgehoor niet heeft verklaard dat zij haar asielaanvraag heeft ingetrokken. Bovendien leidt het vertrek van eiseres uit Denemarken niet automatisch tot de conclusie dat zij haar asielverzoek in dat land impliciet heeft ingetrokken. De uitzondering van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening is dus niet van toepassing op eiseres. Het staat daarom vast dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiseres om internationale bescherming.
6. Voor de stelling van eiseres dat verweerder miskent dat eiseres en haar partner gezinsleden zijn en met elkaar hebben samengewoond, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen zeer bijzondere individuele omstandigheid is op grond waarvan verweerder met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid de asielaanvraag van eiseres aan zich had moeten trekken. Immers is de Dublinverordening niet bedoeld om op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid te verkrijgen. Eiseres kan voor verblijf in verband met gezinshereniging een daartoe strekkende reguliere aanvraag indienen.
Conclusie
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van A.E. Wadman, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het arrest van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280.
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672, r.o. 5 en 5.1.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.