Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:21215
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,134 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7324
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.A. Patandin),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigde: T. Olthof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van zijn parkeervergunning.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit 11 mei 2023 de parkeervergunning van verzoeker ingetrokken vanwege een huisnummerwijziging. Met het bestreden besluit van 5 juli 2023 op het bezwaar van verzoeker is hij onder aanvulling van de motivering bij de intrekking gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
Beoordeling
3. De voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar-of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen, en is niet is bedoeld om versneld een uitspraak in het bodemgeding te ontlokken. De voorzieningenrechter treft dan ook alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
4. Het feit dat verzoeker door de intrekking zijn elektrische auto niet binnen een straal van een paar honderd meter kan parkeren dan wel kan laden, is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te kunnen nemen. Niet is gebleken dat verzoeker die afstand niet kan overbruggen. Verweerder heeft daarnaast te kennen gegeven dat verzoeker nog steeds kan parkeren in de binnenstad dan wel in eigen straat, zij het dat hij hiervoor een dagkaart, weekkaart, maandkaart of jaarkaart moet aanschaffen. Parkeerkosten kunnen een financieel belang zijn. Verzoeker heeft niet gesteld dat die parkeerkosten tot een financiële noodsituatie leiden. Daarom is ook dit belang onvoldoende spoedeisend om een voorlopige voorziening te kunnen treffen.
5. Ook is er in tegenstelling tot wat verzoeker stelt geen sprake van een onomkeerbare situatie. Verzoeker kan een nieuwe aanvraag voor een parkeervergunning indienen. Dat volgens verzoeker de kans op een toewijzing zeer gering is gelet op het gewijzigde beleid, maakt dat niet anders. Bovendien is de parkeervergunning van verzoeker die hier voorligt al ingetrokken per 11 mei 2023. De parkeervergunning die verzoeker momenteel geniet is uit coulance door verweerder verleend nadat verzoeker hiertoe een aanvraag heeft ingediend.
6. Het ontbreken van een spoedeisend belang staat niet aan het treffen van een voorlopige voorziening in de weg als sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of de intrekking van de parkeervergunning juist is en het besluit in de beroepsprocedure in stand zal blijven. Hiervan is in dit geval geen sprake.
Conclusie
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.
8. Verzoeker krijgt zijn griffierecht niet terug en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De parkeervergunning is ingetrokken op basis van artikel 6, derde lid en onder b, van de Parkeerverordening gemeente Leiden 2023.
Geregistreerd onder SGR AWB 23/5073.
Artikel 8:81, derde lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 14 juli 2023, (ECLI:NL:RBAMS:2023:4295).