Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:21203
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,899 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.38057
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. L. Hartog).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 december 2023 niet in behandeling genomen omdat volgens de staatssecretaris Portugal verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Nederland bij Portugal een verzoek om overname gedaan. Portugal heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel en indirect refoulement
5. Eiser voert aan dat wegens het gebrek aan een duidelijk beleid ten aanzien van kosteloze rechtsbijstand in Portugal er een risico op indirect refoulement bestaat. Nu hij geen toegang tot rechtsbijstand kan krijgen kan hij hierover niet klagen bij de Portugese autoriteiten. Omdat er niet automatisch recht op gefinancierde rechtsbijstand bestaat, is er geen sprake van 'fair trial' en een 'effective remedy'. De staatssecretaris mocht daarom ook niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de staatssecretaris, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat alle lidstaten het unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Portugal, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Portugese autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Daarvan is sprake in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
7. De rechtbank oordeelt dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij in Portugal geen toegang tot rechtsbijstand zal krijgen. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 september 20222 of dan zittingsplaats Rotterdam in de uitspraak van 21 februari 20233.
8. Wat betreft de stelling van eiser dat overdracht naar Portugal indirect refoulement zal betekenen, overweegt de rechtbank als volgt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich in haar uitspraak van 30 november 20234 uitgelaten over het toetsingskader van indirect refoulement in het kader van de Dublinprocedure. Hieruit volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in Portugal een risico op schending van het beginsel van non- refoulement bestaat, wanneer de rechtbank niet vaststelt dat er in Portugal sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken.5 Meningsverschillen tussen de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de verzoekende lidstaat, enerzijds, en van de aangezochte lidstaat, anderzijds, over de uitlegging van de materiële voorwaarden voor internationale bescherming tonen niet aan dat er sprake is van systeemfouten.6
Gelet op wat onder 7. is overwogen, heeft eiser aannemelijk heeft gemaakt dat sprake zou zijn van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Portugal.
2 ECLI:NL:RBDHA:2022:14777.
3 ECLI:NL:RBROT:2023:1272.
4 ECLI:EU:C:2023:934.
5 ECLI:EU:C:2023:934, r.o. 142.
6 ECLI:EU:C:2023:934, r.o. 142.
Daarom mag de rechtbank ook niet onderzoeken of er in Portugal een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. Eiser voert aan dat overdracht naar Portugal onevenredig hard is, gelet op alle omstandigheden in samenhang bezien. De staatssecretaris had daarom, en/of om proceseconomische redenen, zijn asielaanvraag in behandeling moeten nemen.
10. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft niet nader toegelicht waarom in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat overdracht aan Portugal van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 december 2023
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.