Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:21108
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,670 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.37790
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).
Inleiding
Op 27 november 2023 heeft verweerder (de staatssecretaris) eiser in vreemdelingenbewaring (bewaring) gesteld, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Op 13 december 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de gemachtigde van eiser de gelegenheid te geven het medische dossier van eiser te uploaden in het digitale systeem. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft daar dezelfde dag nog op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek opnieuw gesloten.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2000] .
Het gehoor voorafgaand aan de bewaring
2. Eiser voert aan dat de staatssecretaris heeft gehandeld in strijd met paragraaf A2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring is gebruik gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Deze tolk heeft geen VOG
getoond. Volgens eiser volstaat de mogelijkheid om de VOG achteraf op te vragen niet. Verder stelt eiser dat hij en de tolk elkaar niet goed konden verstaan. Volgens eiser is niet aan hem gevraagd of hij de tolk had begrepen.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Op pagina 2 en 3 van de maatregel van bewaring is toegelicht waarom gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Er is gebeld met het tolk- en vertaalcentrum Global Talk, maar de medewerker gaf aan dat er niet op tijd een beëdigde tolk beschikbaar was. Er is vervolgens voor gekozen te maken van een niet- beëdigde tolk, omdat het niet in het belang was van eiser om voor onbepaalde tijd te wachten met het gehoor tot er een beëdigde tolk beschikbaar was. Daarbij komt dat een gehoor langer kan duren dan verwacht en dat het ook tijd kost om de bewaringsmaatregel binnen de ophoudingstijd van 6 uren uit te werken. Tijdens de communicatie is niet gebleken dat eiser de tolk niet heeft bestaan of begrepen. Daarbij wordt de naam en het referentienummer van de tolk genoemd.
In de maatregel van bewaring is vervolgens ingegaan op het overleggen van een recente VOG. Daarover is opgemerkt dat alle niet-beëdigde telefonische tolken die werkzaam zijn voor Global Talk in het bezit zijn van een VOG. Om de eerdergenoemde spoedeisende redenen was het vooraf overleggen van deze verklaring niet mogelijk. Onder het bovengenoemde referentienummer is de verklaring achteraf op te vragen bij Global Talk. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris hiermee heeft voldaan aan wat is bepaald in paragraaf A2/5 van de Vc.
4. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat hij en de tolk elkaar niet goed konden verstaan, en dat hierover aan hem geen vragen zijn gesteld. Uit pagina 2, 3 en 9 van het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat meerdere keren aan eiser is gevraagd of hij de tolk goed kon verstaan en hem begreep. Eiser heeft toen geantwoord dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen, en heeft dit ook na afloop van het gehoor bevestigd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen, omdat het proces
-verbaal op ambtseed is opgemaakt en uit het verslag van het gehoor blijkt dat eiser normaal antwoord gaf op de vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
De uitreiking van de maatregel van bewaring
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris heeft gehandeld in strijd met artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Bij de uitreiking van de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris hem namelijk niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van bewaring.
6. De rechtbank oordeelt dat de uitreiking van de maatregel van bewaring niet heeft plaatsgevonden met inachtneming van de informatieplicht van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Uit niets blijkt immers dat eiser bij de uitreiking van de maatregel schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte is gebracht van de redenen van de maatregel. In de maatregel van bewaring staat dat aan eiser de informatiebrief ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ is uitgereikt in de Arabische taal, maar deze is niet toegevoegd aan het dossier. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of in het geval van eiser is voldaan aan de informatieplicht. Er is daarom sprake van een gebrek. Dit leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Wel moet er een belangenafweging plaatsvinden. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 november 2023¹, waaruit dit volgt. De
1. ECLI:NL:RVS:2023:4180.
rechtbank overweegt dat het gaat om een relatief gering gebrek, omdat tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring - met behulp van een tolk in de Marokkaans Arabische taal - met eiser is gesproken over de redenen waarom hij mogelijk in bewaring zal worden gesteld. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser bij de uitreiking al op de hoogte was van de redenen van bewaring. Verder is aan eiser wel kosteloze rechtsbijstand toegekend en heeft zijn advocaat namens hem ook kort na het opleggen van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser wel in staat is gesteld om rechtsmiddelen effectief in te stellen tegen de bewaring en dat niet is gebleken dat hij in zijn belangen is geschaad. Hoewel sprake is van een gebrek, heeft eiser geen recht op vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 10 van de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023. De beroepsgrond slaagt niet.
De grondslag van de maatregel van bewaring
7. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in bewaring is gesteld. De staatssecretaris heeft namelijk volstaan met een standaardmotivering.
8. De beroepsgrond slaagt niet. Dat de staatssecretaris een standaardmotivering zou hebben gebruikt, maakt niet dat de grondslag onjuist is of onvoldoende gemotiveerd. Op pagina 6 van de maatregel van bewaring is bij de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw een toelichting gegeven. In het besluit is het risico op onttrekking aan het toezicht gemotiveerd aan de hand van de lichte en zware gronden in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb. Daarmee is ook gegeven dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet kunnen worden verkregen. De rechtbank is van oordeel dat deze toelichting volstaat.
De gronden van de maatregel van bewaring
9. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Er is namelijk een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser ontwijkt of belemmert de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure. De staatssecretaris moet dit motiveren aan de hand van de gronden in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb. De staatssecretaris heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet
tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 december 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.