Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:21082
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,493 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-1444
Zaaknummer: C/09/643491
Datum beschikking: 6 december 2023
Verdeling van de zorg- en opvoedtaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 22 februari 2023 ingekomen verzoek van:
[vader] ,
de vader,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
advocaat: voorheen mr. M.J. Boers te 's-Gravenzande, gemeente Westland, nu zonder advocaat.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[moeder] ,
de moeder,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
advocaat: mr. N.T. Vogelaar te Maasdijk, gemeente Westland.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken;
de brief van 27 oktober 2023, inclusief bijlagen, van de zijde van de moeder.
Op 8 november 2023 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De advocaat van de vader heeft zich na afloop van de zitting onttrokken.
Feiten
De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van 25 juni 2015 tot 5 oktober 2022.
Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] .
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2022 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is het door de ouders opgestelde ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
In het ouderschapsplan van 6 september 2022 zijn de ouders – voor zover hier van belang – overeengekomen dat:
[minderjarige] woonachtig zal zijn bij de moeder en op haar adres wordt ingeschreven in de basisregistratie personen;
[minderjarige] bij de vader is één dag in het weekend per veertien dagen, bijvoorbeeld op zondag van 09.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt en waarvan in onderling overleg kan worden afgeweken;
tijdens de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen de reguliere zorgregeling van toepassing is, waarvan in onderling overleg kan worden afgeweken;
[minderjarige] op Vaderdag bij de vader en op Moederdag bij de moeder is;
de vader met ingang van 1 november 2022 als kinderalimentatie aan de moeder een bedrag van € 650,- per maand betaalt, bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van de maand, jaarlijks te indexeren als bedoeld in art. 1:402a BW en voor het eerst per 1 januari 2023.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2023 € 672,10 per maand.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt de door partijen onderling getroffen regeling ter zake de kinderalimentatie te wijzigen, in die zin dat met ingang van 1 november 2022, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 121,- per maand, althans op een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig, na wijziging, te bepalen dat:
de vader om de week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang heeft met [minderjarige] , waarbij de vader de moeder op voorhand per e-mail informeert over de invulling van de omgang en voor de overdrachtsmomenten en een derde meebrengt;
de vader elke woensdag om 19.00 uur naar [minderjarige] belt;
de moeder primair elke week, subsidiair maandelijks, een e-mail aan de vader stuurt voor vrijdag 00.00 uur, waarin zij de vader informeert over school, scouting, zwemmen, gezondheid en bijzonderheden (feestje) van [minderjarige] .
De vader heeft noch in de processtukken noch op de zitting inhoudelijk op deze zelfstandige verzoeken van de moeder gereageerd.
Beoordeling
Zorgregeling en informatieregeling
De moeder voert – verkort weergegeven – aan dat zij zorgen heeft over het contact tussen [minderjarige] en de vader. Nadat in februari 2023 mogelijk een incident tussen de vader en [minderjarige] zou hebben plaatsgevonden, zijn Veilig Thuis en het Sociaal Kernteam (hierna: SKT) betrokken geraakt. In overleg met het SKT zijn toen in april 2023 de volgende afspraken gemaakt:
de vader ziet [minderjarige] om de week op zondag, waarbij hij iemand meeneemt en de vrijdag van te voren aan de moeder laat weten wie hij meeneemt en wat ze gaan doen;
de vader belt [minderjarige] op een vaste tijd, bijvoorbeeld woensdag om 17.00 uur;
de vader stuurt geen appjes meer naar de moeder;
de moeder stuurt elke week een e-mail aan de vader voor vrijdag 00.00 uur, waarin zij de vader informeert over school, scouting, zwemmen, gezondheid en bijzonderheden (feestje) van [minderjarige] .
Volgens de moeder verloopt de zorgregeling nog steeds niet goed. De vader houdt zich niet aan de gemaakte afspraken, zegt met enige regelmaat contactmomenten met [minderjarige] af en houdt zich niet aan de belmomenten. Daarnaast zorgt de vader voor onrust bij [minderjarige] door de (negatieve) dingen die hij aan haar vertelt, aldus de moeder. Ten slotte verloopt het onderlinge contact tussen de ouders volgens de moeder ook slecht, nu de vader steeds op een negatieve manier contact met haar zoekt. Dit heeft, naar de rechtbank begrijpt, soms ook voor beladen momenten tussen de ouders gezorgd tijdens de overdracht van [minderjarige] .
Artikel 1:253a, eerste lid BW bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Ingevolge sub a van het tweede lid van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen een regeling vast inzake een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel kan de rechtbank een bestaande regeling wijzigen. Ingevolge het tweede lid, onder sub c van dit artikel kan de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd, worden vastgesteld. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] vanwege hetgeen zij meekrijgt van de spanningen en gedragingen tussen de ouders en dat er in verband daarmee op 9 november 2023 (de dag na de zitting) een jeugdbeschermingstafel plaatsvindt. De rechtbank acht het belangrijk om de uitkomsten hiervan af te wachten voordat zij een beslissing over de definitieve zorgregeling neemt, temeer nu de vader niet op de zitting is verschenen en hij ook geen verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder heeft ingediend. De rechtbank zal daarom de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling pro forma aanhouden tot na te noemen datum.
De rechtbank ziet wel aanleiding om in de tussenliggende periode een voorlopige zorgregeling te bepalen, nu is gebleken dat [minderjarige] de vader mist en graag regelmatig contact met hem wil. De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige] om de week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader is en dat de vader elke woensdag om 19.00 uur naar [minderjarige] belt. Naar de rechtbank begrijpt is dit de regeling die met hulpverlening is afgesproken en die de ouders momenteel (een deel van de tijd) uitvoeren, met dien verstande dat het belmoment dus voortaan om 19.00 uur zal zijn (omdat dit, naar de rechtbank begrijpt, voor [minderjarige] beter uitkomt dan 17.00 uur). De rechtbank ziet, gelet op de spanning die de communicatie tussen de ouders met zich meebrengt, geen aanleiding om te bepalen dat de vader de moeder op voorhand per e-mail informeert over de invulling van de omgang. De rechtbank hoopt dat het de ouders lukt om te regelen dat de overdracht van [minderjarige] op de zondag via een derde verloopt en niet tussen hen rechtstreeks, om op die wijze te zorgen dat [minderjarige] zo min mogelijk wordt belast met de spanningen tussen de ouders.
Ten aanzien van de informatieregeling overweegt de rechtbank als volgt. Enerzijds is gebleken dat deze regeling tot stand is gekomen, omdat het belangrijk is dat de vader tijdens de omgang met [minderjarige] op de hoogte is van belangrijke dingen die in haar leven spelen. Anderzijds wil de rechtbank negatieve communicatie tussen de ouders zoveel mogelijk beperken. Gelet op de negatieve reactie van de vader op de e-mails die de moeder eerder heeft gestuurd, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de moeder voorlopig maandelijks een e-mail aan de vader stuurt, waarin zij de vader informeert over ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] . Op de zitting heeft de moeder toegezegd de vader extra per e-mail te informeren wanneer daar aanleiding toe is.
De rechtbank zal in afwachting van de uitkomsten van de jeugdbeschermingstafel de beslissing ten aanzien van de definitieve informatieregeling ook pro forma aanhouden tot na te noemen datum.
Kinderalimentatie
In artikel 1:401, eerste lid, van het BW is bepaald dat een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
In het vijfde lid is bepaald dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daarvan kan sprake zijn als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.
De vader stelt dat de afspraak van de ouders over de kinderalimentatie in het ouderschapsplan is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De door hem te betalen alimentatie is volgens de vader als gevolg hiervan vanaf de aanvang fors te hoog geweest. De vader heeft ter onderbouwing van deze stelling berekeningen overgelegd, waaruit volgt dat (destijds) de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] € 121,- per maand zou moeten bedragen.
De moeder voert aan dat de ouders bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De ouders zijn begeleid en voorgelicht door een gezamenlijke advocaat, hetgeen volgens de moeder onder meer blijkt uit het convenant dat de ouders hebben gesloten, waarin staat:
“dat partijen een ouderschapsplan hebben opgesteld, welk plan als bijlage aan dit convenant is gehecht. De afspraken in het ouderschapsplan maken deel uit van dit convenant.”, en
“alle bepalingen in het convenant in een gezamenlijke bespreking met partijen zijn toegelicht.”.
Volgens de moeder heeft de vader daarnaast destijds zelf een overzicht gemaakt van de kosten voor [minderjarige] die hij wilde betalen, wat uitkwam op € 695,- per maand. Dit bedrag is toen naar beneden gesteld op € 650,- per maand.
De rechtbank overweegt als volgt.
Dictum
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling – :
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] , voorlopig bij de vader zal zijn om de week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur en dat de vader elke woensdag om 19.00 uur naar [minderjarige] belt;
*
bepaalt dat de moeder voorlopig maandelijks een e-mail aan de vader stuurt, waarin zij de vader informeert over school, scouting, zwemmen, gezondheid en bijzonderheden (feestje) van [minderjarige] ;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het verzoek van de vader tot wijziging van de door de ouders onderling getroffen regeling ter zake de kinderalimentatie;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling en informatieregeling aan tot 1 april 2024 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 december 2023.