Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:21075
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,083 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.36115
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 oktober 2023 aan verzoeker meegedeeld dat hij op
20 november 2023 om 12.45 uur wordt overgedragen aan Kroatië (feitelijke uitzetting).
Verzoeker heeft op 15 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting. Op diezelfde dag heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om te bepalen dat hij - zolang niet is beslist op zijn bezwaar tegen de feitelijke uitzetting - niet mag worden overgedragen aan Kroatië.
Op 19 november 2023 heeft verzoeker zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de procedure voor het treffen van een voorlopige voorziening. Als een verzoek om
voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. Dit omdat op 15 november 2023 door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) naar aanleiding van een daar op 2 november 2023 door verzoeker ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening al is bepaald dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië.1 Dat betekent dus niet dat verweerder in de procedure bij de rechtbank is tegemoetgekomen aan verzoeker. Daar komt bij dat verzoeker in feite ook niet bij deze rechtbank een (tweede) verzoek om een voorlopige voorziening had hoeven in te dienen, omdat hij dat al op 2 november 2023 had gedaan bij de Afdeling. Verzoeker had zich naar aanleiding van het bericht over de feitelijke uitzetting moeten wenden tot de Afdeling om zijn bezwaren daartegen en het verzoek in dat kader met spoed onder de aandacht van de Afdeling te brengen. Dat de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter en het indienen van het onderhavige verzoek bij deze rechtbank elkaar net heeft gekruist, maakt het voorgaande niet anders.
5. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt dan ook afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
1 Zaaknummer: 202306742/2/V3.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 december 2023
Documentcode: [documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.