Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-21
ECLI:NL:RBDHA:2023:20912
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,583 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8414
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Verweerder heeft eiser bij het bestreden besluit een terugkeerbesluit opgelegd, omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en gebleken is dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In het terugkeerbesluit heeft verweerder als zware gronden vermeld dat eiser:
3. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe
heeft gedaan;
zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken
niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld:
zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Volgens verweerder is verder niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan hij zou moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
3. Eiser voert over het terugkeerbesluit aan dat hem een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten worden gegeven, omdat er onvoldoende reden was om onttrekking aan het toezicht aan te kunnen nemen. Eiser licht dit toe door er gemotiveerd op te wijzen dat de door verweerder genoemde zware en lichte gronden onvoldoende waren om de conclusie van onttrekking aan het toezicht te kunnen dragen en hem een vertrektermijn te onthouden. Eiser voert over het inreisverbod aan dat dit verbod niet wordt gemotiveerd in het bestreden besluit. Daarnaast is een inreisverbod bezwaarlijk, omdat eiser in die periode niet als toerist naar Nederland kan komen en hij ook zijn familie in Italië niet kan bezoeken. In Italië wonen een broer en ooms van eisers vrouw.
Het besluit van verweerder is daarom onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Dat laatste ook, omdat geen of een niet kenbare evenredige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Verder is het besluit in strijd met artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HVEU).
Terugkeerbesluit
4. Verweerder heeft bevestigd dat eiser op 17 maart 2023 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vanuit Nederland naar zijn land van herkomst, India, is vertrokken. De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden tegen het terugkeerbesluit.
Inreisverbod
5. Eiser voert voor het eerst in deze beroepsprocedure aan dat er (schoon)familie in Italië woont, maar onderbouwt dit niet. Alleen daarom al heeft deze beroepsgrond geen kans van slagen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser tijdens het gehoor inreisverbod desgevraagd heeft verklaard dat er geen redenen en/of bijzondere omstandigheden zijn die maken dat verweerder had moeten afzien van een inreisverbod. De rechtbank is daarom van
oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet is afgezien van het opleggen van een inreisverbod. De rechtbank volgt eiser niet in zijn overigens niet nader onderbouwde stelling dat verweerder met het opleggen van een inreisverbod artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het HVEU schendt.
6. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk is en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond is.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023 door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
21 juli 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.