Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:20702
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31062
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2023 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. M.J.C. van den Woning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 9 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 22 september 2023 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2023, samen met de zaak met zaaknummer NL23.31063, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de kennelijk ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser wordt in Algerije strafrechtelijk vervolgd, omdat hij wordt beschuldigd van het gebruiken van hasj. Een buurtgenoot heeft namelijk tegen de politie gezegd dat hij en eiser samen hasj gebruikt hebben. Het is een valse beschuldiging, maar eiser heeft zich wel moeten melden bij de politie en voor het bezit van hasj worden in Algerije jarenlange gevangenisstraffen opgelegd. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer naar Algerije te worden vervolgd vanwege zijn illegale uitreis uit dat land.
Het bestreden besluit
6. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De verklaringen over de illegale uitreis uit Algerije worden ook geloofwaardig geacht. Deze elementen vormen echter geen reden om een asielvergunning te verlenen. De verklaringen over de strafrechtelijke vervolging vanwege de valse beschuldiging van hasjgebruik acht de staatssecretaris ongeloofwaardig. De staatssecretaris heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen omdat eiser documenten die zijn asielrelaas kunnen ontkrachten heeft achtergehouden en zijn reisdocument heeft weggemaakt. Hij heeft namelijk zijn paspoort en andere voor de procedure belangrijke documenten achtergehouden zonder daarvoor een goede reden te geven.
Heeft de staatssecretaris het relevante element over de strafrechtelijke vervolging in Algerije ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser betoogt dat hij voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat hij in Algerije strafrechtelijk vervolgd zal worden wegens hasjgebruik. Hij stelt dat er ten minste één getuige is die tegen hem heeft verklaard. De familie van deze getuige heeft veel macht, waardoor eiser vreest voor corruptie. Dat hij na zijn verhoor bij de politie is vrijgelaten maakt dat niet anders. Het is in Algerije namelijk gebruikelijk dat verdachten in soortgelijke zaken hun proces in vrijheid mogen afwachten. Dat het in Nederland gebruikelijk is dat personen bij bepaalde verdenkingen worden aangehouden betekent niet dat dit ook gebruikelijk is in Algerije. Normaal gesproken wordt een verdachte in Algerije pas na enkele maanden door het openbaar ministerie opgeroepen. Het enkele feit dat hij geen oproeping heeft gekregen voor zijn vertrek uit Algerije brengt dus niet met zich dat er geen aanknopingspunten zijn om te concluderen dat hij niet wordt vervolgd. De staatssecretaris redeneert en oordeelt te veel vanuit zijn eigen referentiekader. Eiser wijst er daarbij op dat hij in Nederland in de gevangenis zit en dat het voor hem niet mogelijk is om vanuit de gevangenis een advocaat te machtigen die meer informatie kan verkrijgen over de stand van zaken met betrekking tot zijn strafzaak in Algerije. Hiervoor zijn namelijk documenten nodig die eiser pas kan overleggen wanneer hij weer in vrijheid is. Eiser vreest dat hij geen eerlijk proces zal krijgen in Algerije en dat hij bij terugkeer terecht komt in een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. Door de staatssecretaris is terecht geconcludeerd dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen. Eiser heeft hiertoe wel de gelegenheid gehad, aangezien hij al sinds maart 2023 weg is uit Algerije en pas in juli 2023 is vastgezet in Nederland. Daarnaast stelt eiser een kennis in Utrecht te hebben die over documenten beschikt die eisers asielrelaas kunnen onderbouwen. Niet valt in te zien waarom deze documenten niet aan eiser of zijn advocaat kunnen worden overgedragen. Ook valt niet in te zien waarom het voor eiser niet mogelijk is om een advocaat te machtigen om informatie te verkrijgen over de stand van zaken van zijn strafzaak in Algerije. Dat eiser in de gevangenis zit of heeft gezeten is daarvoor geen excuus. De staatssecretaris heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas. Het is bevreemdend dat hij heeft verklaard dat hij tien tot twintig jaar gevangenisstraf kan krijgen, maar dat hij desondanks toch is vrijgelaten door de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat deze gang van zaken gebruikelijk is in Algerije. De staatssecretaris heeft daarnaast terecht aan eiser tegengeworpen dat hij heeft verklaard dat personen na drie of vier maanden worden opgeroepen zich te melden bij de politie en dat eiser nog niks heeft gehoord. Deze termijn is immers al langere tijd verstreken. De staatssecretaris heeft het relevante element over de strafrechtelijke vervolging in Algerije dus niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
Heeft de staatssecretaris het wel geloofwaardige element over illegale uitreis terecht niet zwaarwegend geacht?
8. Met betrekking tot de geloofwaardig geachte illegale uitreis heeft de staatssecretaris terecht tegengeworpen dat uit algemene bronnen niet blijkt dat elke illegale uitreiziger heeft te vrezen voor vervolging. Eiser dient aannemelijk te maken dat dit in zijn situatie wel het geval is en volgens de staatssecretaris is eiser hier niet in geslaagd.
9. Eiser heeft in beroep weliswaar gesteld dat hij wel een dergelijk risico loopt maar dit verder niet onderbouwd. Ook deze beroepsgrond faalt.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000.
Artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw 2000.