Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2023:20657
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,895 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36033
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. W. Epema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van 14 november 2023 (het bestreden besluit) waarbij eisers asielaanvraag niet in behandeling is genomen omdat Spanje daar verantwoordelijk voor is.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben.
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje op 3 oktober 2023 een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 4 oktober 2023 aanvaard.
Kan de staatssecretaris uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Niet in geschil is dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser voert echter aan dat de staatssecretaris ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Hiertoe wijst hij erop dat de Spaanse autoriteiten veel meer verzoeken om terug- en overname te verwerken krijgen dan ze, in combinatie met de hoge instroom van nieuwe asielzoekers, praktisch gezien kunnen verwerken. Eiser voert aan dat sprake is van willekeur, als sommige vreemdelingen wel en andere in de praktijk niet kunnen worden overgedragen. Eiser vindt ook steun voor zijn standpunt in het feit dat de Europese Commissie een inbreukprocedure is gestart tegen Spanje. Ten derde heeft eiser persoonlijk te maken gehad met mishandeling door de Spaanse (grens)politie. Hij heeft ter onderbouwing een foto overgelegd waarop de gevolgen van de mishandeling te zien zijn. Eiser vreest na overdracht opnieuw slachtoffer te worden van geweld door de Spaanse autoriteiten. Eiser stelt dat de staatssecretaris met deze individuele omstandigheden onvoldoende rekening heeft gehouden in het bestreden besluit.
6.1.
De staatssecretaris mag in beginsel ten opzichte van Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met haar uitspraak van 13 november 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat recent opnieuw bevestigd. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiser om aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is daar niet in geslaagd.
6.2.
Eventuele problemen die zich bij de feitelijke overdracht van eiser kunnen voordoen, zijn geen reden om het overdrachtsbesluit als zodanig onrechtmatig te achten. Het gaat daarbij goed beschouwd om een onzekere toekomstige gebeurtenis, terwijl de vrees voor die gebeurtenis niet is gebaseerd op de individuele situatie van eiser. De rechtbank overweegt hierbij verder dat Spanje uitdrukkelijk heeft ingestemd met de overdracht van eiser, zodat de staatssecretaris ervan uit mag gaan dat het overdrachtsbesluit ook kan worden uitgevoerd. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris nu al beleid moet ontwikkelen voor de situatie dat Spanje mogelijk, ergens in de toekomst, niet in staat zal zijn alle over te dragen vreemdelingen daadwerkelijk over te nemen.
6.3.
Eiser heeft verder niet toegelicht waarom de inbreukprocedure van de Europese Commissie (EC) tegen Spanje tot de conclusie leidt dat dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De enkele verwijzing naar het persbericht over deze procedure is daarvoor niet voldoende. Overigens stelt de rechtbank vast dat er nog geen zaak aanhangig is gemaakt bij het Hof van Justitie en dat de inhoud van de bezwaren die de EC tegen Spanje heeft geformuleerd, niet bekend is gemaakt.
6.4
De staatssecretaris heeft zich ten aanzien van de gestelde mishandeling van eiser door de Spaanse autoriteiten terecht op het standpunt gesteld dat het overleggen van een enkele foto niet aantoont waar, wanneer of onder welke omstandigheden eiser slachtoffer is geworden van geweld. Zonder nadere onderbouwing, zoals bijvoorbeeld een rapport van het Rode Kruis, waar eiser zegt te hebben geklaagd, vormen de verklaringen van eiser geen aanleiding om in zijn individuele geval aannemelijk te achten dat zijn overdracht aan Spanje strijd zal opleveren met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest.
6.5
Er is daarom evenmin aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser, ondanks de verantwoordelijkheid van Spanje, in behandeling te nemen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtpsraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
INF(2022)2158.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:4195.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
Zie voor een soortgelijke beoordeling ten aanzien van de overdracht aan Italië de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1888.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.