Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:20481
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,287 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1052
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
(gemachtigde: mr. drs. M.E. Nijmeijer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit dat verweerder heeft genomen op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017).
1.1.
Bij besluit van 8 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser inzage verleend in zijn persoonsgegevens bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (AIVD). Bij besluit van 25 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De zitting was op 28 november 2023. Eiser was hierbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft eiser op zijn verzoek inzage verleend in zijn persoonsgegevens bij de AIVD. Aan eiser is een inzagedossier verstrekt van vijf bladzijden, inclusief twee toelichtingsformulieren waarin uiteen is gezet waarom bepaalde passages zijn weggelakt.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat hij inzage heeft gekregen in een document waar verweerder hem bij een eerder inzageverzoek uit 2021 al inzage in had moeten verlenen. Daarnaast heeft verweerder in de verstrekte documenten ten onrechte bepaalde passages weggelakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder een ieder op diens aanvraag mededeelt of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van de AIVD zijn verwerkt. Een dergelijk verzoek wordt in ieder geval afgewezen als betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:
de desbetreffende gegevens meer dan vijf jaar geleden zijn verwerkt;
met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en;
de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek.
5. De rechtbank heeft kennis genomen van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde stukken. Verweerder heeft terecht in een van de documenten passages weggelakt omdat deze persoonsgegevens van derden bevatten. Verder heeft verweerder terecht passages weggelakt, omdat deze niet zien op de persoonsgegevens van eiser en daarom buiten de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte bepaalde passages heeft weggelakt, slaagt niet.
6. Het betoog van eiser dat verweerder de gevraagde gegevens al had moeten verstrekken op basis van zijn inzageverzoek uit 2021, is op zichzelf juist. Verweerder heeft ook erkend dat dit destijds eigenlijk al had gemoeten, maar dat dit als gevolg van een ambtelijke misslag niet is gebeurd. Dit ziet echter op het besluit in de vorige procedure en kan daarom geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit in deze procedure.
7. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiser heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2023.
de griffier is verhinderd te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 76 van de Wiv 2017.
Artikel 82 van de Wiv 2017.
Met toepassing van artikel 8:29 van de Awb.