Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:20429
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,568 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36910
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
geboren op [geboortedatum] ,
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
mede namens haar minderjarige zoon,
[naam] ,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. Th.H. Meeuwis),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. G. Bouius).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiseres een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (hierna: vrijheidsbeperkende maatregel).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 30 november 2023 zijn de gronden van beroep ingediend.
De staatssecretaris heeft op 1 december 2023 een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek op 6 december 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 kan door de staatssecretaris overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:
a. geen rechtmatig verblijf heeft;
b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d, en e.
2. De staatssecretaris heeft eiseres verplicht om met ingang van 31 oktober 2023 te verblijven in de gemeente Emmen, alwaar zij zich in de vrijheidsbeperkende locatie Gezinslocatie Emmen (VBL) in Emmen dient op te houden. De staatssecretaris heeft hierbij overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiseres niet heeft voldaan aan haar rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten, dat eiseres geen vaste woon-of verblijfplaats heeft en dat eiseres niet over voldoende middelen van bestaat beschikt. Ook bestaat er voor eiseres geen alternatieve opvangplek om heen te gaan met haar minderjarige kind. Met plaatsing in de VBL wordt voorkomen dat eiseres geen opvang heeft.
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris de vrijheidsbeperkende maatregel dient te beëindigen dan wel in te trekken en dat de staatssecretaris alsnog dient over te gaan tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening, zodat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk wordt beoordeeld. Eiseres voert hiertoe aan dat het aannemelijk is dat Italië ook ten aanzien van statushouders zijn internationale verplichtingen, waaronder die van de Opvangrichtlijn, niet nakomt en dat gedwongen terugkeer naar Italië schending van artikel 3 EVRM oplevert doordat zij in een situatie van extreme materiële ontbering zal komen te verkeren en zij niet de medische zorg zal krijgen als die in Nederland wordt verleend. Verder voert eiseres aan dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat zij en haar kind op grond van artikel 108, eerste lid, van de Vw 2000 strafbaar zijn indien zij niet onmiddellijk terugkeren naar Italië in dit gevolgen kan hebben voor het terugkeertraject van eiseres. Volgens eiseres heeft de staatssecretaris niet aangegeven welke gevolgen dit zijn.
4. De staatssecretaris wijst er ter verduidelijking op dat het bestreden besluit niet enkel is gestoeld op de afwijzing van 14 maart 2023, maar met name op de meeste recente afwijzing van 14 juli 2023.
5. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiseres heeft mogen opleggen. Eiseres heeft sinds 26 september 2023 geen rechtmatig verblijf meer en geen recht meer op opvang en voorzieningen vanuit het COa. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiseres wordt opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft weersproken dat het belang van de openbare orde het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel vordert. De beroepsgronden van eiseres die zien op het alsnog inhoudelijk in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres treffen geen doel nu deze gronden niet zien op de rechtmatigheid van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel. Dit geldt ook voor de beroepsgronden gericht op de omstandigheden in Italië. Ook in de overige beroepsgronden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat plaatsing in de VBL geen geschikt middel is voor eiseres en haar kind. De rechtbank benadrukt dat plaatsing in de VBL dient om erop te kunnen toezien dat eiseres daadwerkelijk werkt aan haar vertrek, maar ook dat dit op dit moment tevens de enige mogelijkheid is om eiseres nog opvang te bieden. Eiseres heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel dan ook verklaard blij te zijn met de plaatsing in de VBL omdat zij geen andere opvangmogelijkheden heeft. De staatssecretaris heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van artikel 108, eerste lid, van de Vw 2000 niet strafbaar is indien zij niet onmiddellijk terugkeert naar Italië, maar indien zij zich niet houdt aan de vrijheidsbeperkende maatregel. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom deze strafbaarstelling zou leiden tot een onrechtmatige maatregel.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.