Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-16
ECLI:NL:RBDHA:2023:2017
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,343 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.25168 en NL22.25171
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam echtgenoot], V-nummer: [V-nummer echtgenoot], eiser
[naam echtgenote]
, V-nummer: [V-nummer echtgenote], eiseres
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
mede namens hun minderjarige kinderen:
[kind 1]
, V-nummer: [V-nummer kind 1]
[kind 2]
, V-nummer: [V-nummer kind 2]
(gemachtigde: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen, tezamen met de zaken NL22.25169 en NL22.25172, op 2 februari 2023 op zitting behandeld te Breda. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag echtgenoot] 1981, [geboortedag echtgenote] 1992, [geboortedag kind 1] 2017 en [geboortedag kind 2] 2018. Zij hebben de Albanese nationaliteit.
2. Op 17 januari 2019 hebben eisers voor het eerst asielaanvragen ingediend in Nederland. Bij afzonderlijke besluiten van 1 februari 2019 heeft verweerder die aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 28 februari 2019 ongegrond verklaard.
3. Op 30 september 2022 hebben eisers opvolgende asielaanvragen ingediend. Hieraan hebben zij ten grondslag gelegd dat zij Albanië hebben verlaten omdat zij de kosten van de medische behandeling van hun zoon niet konden betalen. Eisers zijn vervolgens naar Griekenland vertrokken, maar ook daar konden zij het financieel niet redden.
4. In de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De medische en economische omstandigheden die eisers hebben aangevoerd hebben geen raakvlakken met het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM. Daarom heeft verweerder deze omstandigheden niet aangemerkt als een relevant element en deze niet inhoudelijk beoordeeld. Verweerder heeft verder overwogen dat Albanië een veilig land van herkomst is en dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat Albanië ten aanzien van hen persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.
5. Op wat eisers daartegen aanvoeren, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ontvankelijkheid van het beroep
6. Ambtshalve moet worden beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaren indien – na het bieden van een herstelmogelijkheid - niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb.
7. Eisers hebben bij het indienen van beroep als beroepsgronden vermeld op het CIV-formulier, dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder hebben zij aangevoerd dat sprake is van een onevenredige dan wel een onzorgvuldige belangenafweging. Tot slot is kenbaar gemaakt dat eisers dit nader zullen uitwerken.
8. De rechtbank is van oordeel dat dit geen beroepsgronden zijn in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit zijn namelijk geen concrete, feitelijke gronden waarmee duidelijkheid wordt verschaft over het punt, dan wel de punten, uit de bestreden besluiten waarmee eisers het niet eens zijn. De enkele verwijzing naar een algemeen rechtsbeginsel is bovendien volgens vaste jurisprudentie onvoldoende om te voldoen aan de vereisten van de Awb.
9. De rechtbank heeft gelet hierop eisers bij brief van 19 januari 2023 in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen alsnog concrete beroepsgronden in te dienen. Eisers hebben pas na afloop van deze termijn, namelijk op 27 januari 2023, beroepsgronden ingediend. Daarmee zijn de beroepsgronden te laat ingediend. Niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.
10. Volgens vaste jurisprudentie moet de bestuursrechter bij te laat ingediende beroepsgronden steeds beoordelen of er aanleiding bestaat aan niet-ontvankelijkverklaring van dat beroep voorbij te gaan, omdat er bijzondere feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in het arrest Bahaddar. Daarvan is sprake als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod schendt, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank moet aan de hand van wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, en een standpunt van verweerder daarover, beoordelen of er zulke bijzondere feiten en omstandigheden zijn. Als dat het geval is, dan moet niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege blijven.
11. In het onderstaande wordt dan ook beoordeeld of de door eisers aangevoerde feiten en omstandigheden onmiskenbaar tot de slotsom leiden dat uitzetting naar Albanië leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM.
Onmiskenbare schending van artikel 3 van het EVRM
12. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte hun brief van 5 december 2022, waarin staat dat de zoon van eisers dient te worden doorverwezen naar de medische dienst, niet bij de bestreden besluiten heeft betrokken. Dat de zoon niet is onderzocht, is in strijd met WI 2021/9, artikelen 24 en 29 van de Procedurerichtlijn, paragraaf C1/2.2 van de Vc en artikel 3.108b, 3.109 en 3.115 van het Vb. Verder voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte het relaas van eiser over discriminatie in Albanië heeft gebagatelliseerd door te overwegen dat tijdens de gehoren de nadruk lag op de gezondheidssituatie van de zoon. Eisers menen dat verweerder met te veel haast hun zaak heeft behandeld, waardoor onvoldoende aandacht aan hun relaas is besteed.
13. De door eisers aangevoerde procedurele omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat onmiskenbaar sprake is van een risico in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. Daarnaast hebben eisers geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de medische situatie van hun zoon, zoals stukken van de behandeling die hij in Albanië zou hebben gehad. Ter zitting is voorts gebleken dat eisers niet naar het GZA zijn gegaan met hun zoon, ondanks de overweging van verweerder in het bestreden besluit dat het op de weg van eisers ligt om zich voor medische hulp op de opvanglocatie tot het GZA te wenden.
14. Ook het betoog van eiser over de gestelde discriminatie in Albanië leidt niet tot het oordeel dat eisers bij terugkeer onmiskenbaar een risico in de zin van artikel 3 van het EVRM lopen. Verweerder heeft terecht overwogen dat eisers tijdens de gehoren nimmer hebben verklaard dat discriminatie een reden was om Albanië te verlaten. Zij hebben juist verklaard dat de reden hiervoor alleen gelegen is in de medische behandeling van hun zoon. Verweerder heeft verder terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat het voor eisers niet mogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren in Albanië.
Conclusie
15. De rechtbank concludeert dat geen grond bestaat voor het oordeel dat tegenwerping van de procedureregels over het tijdig indienen van de beroepsgronden onmiskenbaar een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.
16. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.
17. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zaaknummers NL19.2302 en NL19.2303.
Vreemdelingenwet 2000.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1981.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Werkinstructie.
Richtlijn 2013/32/EU.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Gezondheidszorg Asielzoekers.